Als Lazarus opstaan

Ik sta elke dag gezond weer op en word elke dag weer invalide. Gelukkig maar een beetje. Gisteren nog, wandelend bij de steen van J.J. Slauerhoff, aan de arm van een lieve vriendin, praatte ik binnensmonds en wat onverstaanbaar. ‘Maar ik word óók wat doof,’ zei zij. Soms struikel ik. Soms draal ik. Maar ik mis geen arm of been. Dat been mist mij.

De dag herhaalt zich elke dag. Het patroon is steeds hetzelfde. De eerste uren zijn de beste, als ik om half zes wakker wordt, de vroegste schemering, vogels, een fietser, de spoorwegovergang. Mijn lijf lijkt dan mijn lijf. Geen centje pijn, geen merkbaar schudden, ik lees de krant, begin te schrijven en ben elke dag verrast hoe gemakkelijk dat gaat.

Dan komen de pillen. Die vertragen wat toch staat te gebeuren. Ze dempen de tremor, stellen mijn been gerust, voorkomen dat mijn hand onhandig wordt – meer een querulant die zich opdringt – en houden me verbazingwekkend wakker. Wat toch gebeurt: tegen het eind van de middag wil mijn linkerbeen steeds weg, klapt een knie uit, en helpt geen pil meer tegen de pijn.

Dat dagpatroon is de trailer. Een korte samenvatting van de grotere cyclus. Die begint met nieuwe pillen of meer van dezelfde pillen en eindigt een jaar later als ze niet meer doen wat ze moeten doen: dempen, steunen, stutten. En uiteraard weerspiegelt dat pillenritme weer het grotere verhaal. Je was gezond en acht jaar later – of tien, of twintig, of vijf – ben je invalide.

Gelukkig niet heel erg. Het is te doen, zei een andere vriend. Ik geloof hem gretig, soms. Wat er nog komt, blijft een verrassing. Gerrit Krol, een andere dichter, ging van zijn parkinson – of van de medicijnen – hallucineren. De meesten, niet alleen de dichters, vallen vroeg of laat. Of krijgen de knoopjes van hun overhemd niet dicht.

Ik verdring en verdrink het. En als dat drinken niet meer wil, als ík niet meer wil drinken, en als het verdringen grotesk begint te worden, al was het maar omdat je met zo’n ziekte niet van de ene op de andere dag hulpbehoevend wordt, maar na vier jaar al wel ongeveer weet wat het wordt – als een nieuw huis dat in de steigers staat – dan schrijf ik.

Jan Eijkelboom, oud-collega, dichter, overleden in 2008, wist vast waar de steen van Slauerhoff ligt. Een van zijn bekendste gedichten, Koning Alcohol, begint zo: ‘Ik drink me elke dag weer dood/en sta als Lazarus weer op.’ Daar dacht ik aan toen die vriendin bij Slauerhoff me vroeg hoe het nu ging. Langzaam steeds iets minder. Maar ik sta elke dag gezond weer op.