De tarotkaarten van de wanhoopswinkel

2 april 2015 Geen categorie 0

Mijn zusje belde. Ze was twee weken in Bolivia. Ontmoette daar een man aan wie ze meteen zag dat hij heeft wat ik heb. Die man slikte niet de standaardpillen als levodopa en ropinirol, maar had baat bij medicijnen waarover in degelijke maar alternatieve medische tijdschriften is gepubliceerd. Of ik dat wilde lezen. Stuur maar op, zei ik, dan leg ik het op het stapeltje Wanhoop.

Lief zusje. Ze begrijpt heel goed dat ik het circuit van alternatieven voorlopig mijd, beter misschien dan ik het zelf begrijp. Parkinson, zeiden de twee neurologen die mij de tijding deden, is ongeneeslijk en progressief. Je hebt het er mee te doen, bedoelden ze. Je gaat er niet dood aan, zeiden ze. En aan hun grove schets van wat mij wacht, hield ik een ironische oneliner over. Het loopt lullig af.

Wanneer het lullig wordt? Ik heb geen idee. En ik heb nauwelijks een vermoeden van hóe het verkeerd gaat. Wel begin ik te vermoeden dat het voorlopig niet heel anders zal worden dan het nu is, hooguit erger. Stram, verkrampt en plaatselijk pijnlijk, vooral later op de dag. Geen alles dovende vermoeidheid, geen mateloos getob, geen wezenloze verwarring.

Uit niets valt af te leiden, mocht ik dat al willen weten, wat er zo progressief zal zijn. Kijken naar de spasmen, de verstarring en het vallen van anderen heeft geen zin, evenmin als zoeken naar verhalen over patiënten die na twintig jaar nog altijd nergens last van hebben. Ik kan alleen in de spiegel kijken naar wat op een scheef getrokken botoxbek lijkt. Dit is mijn lichaam. Geen patiënt is gelijk.

Er zijn statistieken. Ik raadpleeg die soms als de tarotkaarten van een waarzegster op de kermis. Vanaf de diagnose een jaar of acht voordat ‘normaal functioneren’ niet meer lukt. Dan nog twee tot aan rolstoel of verpleeghuis. Twee op de drie patiënten gaan vallen. Twee op de drie krijgen last van obstipatie. En twee op de drie erectiestoornissen.

Het zij zo. Ik kan daar wel mee leven. Wie niet wil vallen, koopt een leuning. En over al het andere, weten we sinds de Griekse tragedie, valt te schrijven, de sublimatie van het lot en het lijden. Ik mag hopen dat een aanstaande Nobelprijswinnaar morgen bedenkt hoe hij mij genezen kan. In de tussentijd schrijf ik, liever dan te verdwalen in de wanhoopswinkel van alternatieve genezers. En als die pillen tóch werken, ben ik de eerste die het hoort.