De wapperende hand van Joe Cocker

Op een dag, als iedereen om mij heen al wat begint te wennen aan die waggelende eendengang, zie ik voor het eerst ook zélf hoe ik loop. Op de buitenrand van mijn linker voorvoet, alsof ik bij elke stap bijna op mijn tenen sta, stap na stap balancerend als een dwarse, manke ballerina.

Een jaar geleden begreep ik dat het pas echt mis is als anderen het aan je zien. Als je de symptomen niet meer kunt verbergen. De stramme, bijna strompelende gang, de haast spastische tics. Maar wat ik niet zag aankomen was de overtreffende trap: dat je jezelf gaat zien.

Dat bedoel ik niet letterlijk. In de spiegel zie ik al een tijdje, elke dag als ik met rechts mijn tanden poets, hoe mijn linkerhand aanstellerig alle kanten op waait. Denkt dat-ie Joe Cocker is, die hand, live tijdens een ballad. Doe ’s normaal, denk ik dan, maar hij laat zich niet sturen.

Op een dag heb je die spiegel niet meer nodig. Omdat je rechtervoet is gaan meedoen, uit loyaliteit misschien. Ineens zie je dan zelf hoe zonderling je loopt, hoe anderen je zien, je hebt er waarachtig geen filmpje voor nodig: je beweegt als een kar met twee ongelijke wielen, één groot en één klein, schommelend, schokkend.

Het komt natuurlijk van mijn hersenen. Daar leggen elke dag een paar duizend zenuwcellen het loodje. Waarom? Dat weet niemand. De kwaal heet parkinson en leidt tot verkramping van spieren, in die voet, in een been, en vooral in de monnikskapspier tussen schedel en schouder. Nooit bij stilgestaan, bij die monnikskap, maar nu vergeet ik hem geen uur.

Vroeg op de dag valt het nog mee. Maar elke avond word ik weer patiënt. Dan loop ik morsend door de woonkamer, onbeholpen en – denk ik – wat meewarig bekeken door huisgenoten, als een man die al tien kilometer terug uit de marathon had moeten stappen – of door de wedstrijdleiding naar de kant had moeten worden gehaald.
Ik zie mijzelf. Het ziet er niet uit.