Bij de voeten van Sam Drukker

Tegen een muur van de galerie hangen drie paar voeten van Sam Drukker. Aan de naakte, bedremmeld naar elkaar toe gedraaide tenen, of aan twee magere afgelopen mannenvoeten, lees je een leven af. Benen, romp en gelaat zijn niet nodig om die man of vrouw te kennen. Sam Drukker liet ze weg.

We zijn in een galerie in Antwerpen, Van Campen & Rochtus, ‘op het Zuid’. Strak pand aan de hippe Leopold de Waelplaats, tegenover het Paleis voor Schone Kunsten. De drie schilderijen met het sokkenperspectief – hoe ziet een sok ons? – herinneren me aan de ziekenhuiscorridor, vier jaar terug.

In die lange gang stond een groepje tot net boven de enkels gebeeldhouwde voeten. Op die voeten waren roodbruine attachékoffers gezet. Vreemder dan Sams voeten, maar stugger ook, meer business like, minder intiem. Ze riepen vragen op, die voeten, geen glimlach, geen verhaal.

De voeten-met-koffers zijn in Pistoolvinger terecht gekomen. Toen ik ze zag, vroeg ik me van alles af – zijn het alleen linkervoeten, hebben ze alle dezelfde maat, zijn het paren? – om maar niet te hoeven denken aan het gesprek met de neuroloog naar wie ik verwezen was.

sam voetenRuim vier jaar later kijk ik naar de voeten van Sam Drukker. Onderweg naar Antwerpen ben ik in Amsterdam uitgestapt. Bij mijn uitgever heb ik – vier weken voordat het verschijnt – drie exemplaren van Pistoolvinger opgehaald. Op de voorkant de schets die Sam van mij maakte.

Nu ga ik twee fragmenten voorlezen. Ik wil vertellen hoe de schilder in mijn verhaal terecht gekomen is. Wat zijn werk met mijn boek te maken heeft. Dat we een romantische voorkeur delen voor verval en aftakeling. En dat ik zijn inzet bewonder: hoe een kunstenaar de problemen niet uit de weg moet gaan maar juist moet opzoeken, de weerstand, de schaamte, de pijngrens – daar voorbij ligt schoonheid.

Ik ben erbij gaan staan, bij dat voorlezen. Het duurt een minuut of vijf en ik wankel steeds meer. Een uur lopen lukt beter dan drie minuten staan, omdat juist ‘in rust’ alles verkrampt en ik langzaam begin te trillen, als een gewichtheffer onder zijn halter.

Als ik sta, sta ik op net iets meer dan één voet: op een voet en twee bange tenen, zeg maar. Mijn linkervoet trekt op, alsof de eeltige hak de andere enkel wil krabben.

Net dat ene paar voeten van Sam, denk ik. Dat stel met die bedeesde, slaperig opgetrokken, aarzelende rechtervoet.

Reacties zijn gesloten.