De hutspotman

22 september 2015 Geen categorie 0

Als ik schrijf ben ik een gedurig weifelende boer. Zal ik nu eens aardappelen poten? Of wil ik straks uien oogsten? Of wortelen? Ik kan niet kiezen, waardoor mijn verhalen soms feitelijk zijn als reportages, terwijl ze ook wel neigen naar een betoog, of – als het lukt, als de plot deugt en de zinnen lopen – lezen als een roman.

Ik ben een hutspotman.

Dat aarzelen is onhandig. Verwarrend voor de boekhandelaar. Pistoolvinger heet non-fictie te zijn, maar hoort het nou op het plankje ziektegeschiedenissen of bij de egodocumenten? Is het journalistiek of mag het – je moet dat ruim zien – bij filosofie? Het misstaat niet tussen de literaire non-fictie, maar zou ook zomaar een fictieve vertelling kunnen zijn.

Hotel Almere
Vanaf mijn debuut, Hotel Almere (1995), heb ik niets anders geschreven dan non-fictie, die opperdoezer onder de letterengenres: aards, edel, maar bij dat al toch gewoon een aardappel. Wat ik schrijf is waargebeurd. Niettemin moeten mijn verhalen hechter zijn dan de werkelijkheid, larger than life, zoals fictie soms is.

Hoe dat zo kwam?

Het begon aan een gracht, op de zolderkamer van Emile Brugman, begin jaren negentig de uitgever die een blad wilde maken als het Britse Granta. Een podium voor de beter geschreven reisverhalen moest het zijn. Dat was het even, waarna Atlas al snel het tijdschrift-in-boekvorm werd voor wat we literaire non-fictie gingen noemen.

In Atlas verscheen Hotel Almere, het titelverhaal zoals dat door Emile Brugman was bedacht – dat doen uitgevers nu eenmaal, ze bedenken boeken die alleen nog geschreven moeten worden. Geert Mak, zei hij, schreef over de engel van Amsterdam, Geert van Istendael over arm Brussel. Kon ik niet zo’n boek maken over Rotterdam, de stad waar ik toen woonde?

Prachtig idee, antwoordde ik, maar nee, dat boek zou niet lukken. Ik stond op het punt uit Rotterdam te vertrekken, omdat ik minder uren wilde forensen naar de Volkskrant-redactie in Amsterdam.

‘Waar ga je wonen?’ vroeg Emile Brugman.

‘Almere,’ biechtte ik.

Ik hoorde hem geloof ik naar adem happen. Toen deed Emile Brugman wat uitgevers nu eenmaal doen.

‘Dan moet jij dus over Almere schrijven.’

Bankje aan de Amstel
Twintig jaar later haal ik bij Atlas, de uitgeverij die na het tijdschrift ontstond, de eerste exemplaren van Pistoolvinger op. Het toeval wil dat juist vandaag Het beste van Atlas wordt gepresenteerd, de ruime bloemlezing die Emile Brugman uit ‘zijn tijdschrift’ maakte*. Hij was zo vriendelijk ook Hotel Almere op te nemen.

Tegelijkertijd verschijnt Het eerste van Fosfor, een keuze uit de longreads die de nieuwe, digitale uitgeverij van Jeroen van Bergeijk op internet publiceerde. Zo komt alles samen. Fosfor en Atlas – tegenwoordig onderdeel van Atlas/Contact – werken samen, en de man achter dat verbond staat naast Emile Brugman.

Ik zie ons nog op een bankje aan de Amstel, vijf minuten wandelen van het Volkskrant-gebouw aan de Wibautstraat, waar we toen beiden ons brood verdienden. We vertellen elkaar over de boeken die we willen maken, de boeken die Emile Brugman ons wil laten schrijven.

Ik leg uit dat Nederland zichzelf in de polder achter Almere opnieuw aan het uitvinden is – en dat ik journalistiek wil mengen met mijn eigen geschiedenis, sociologische analyse met sterke verhalen over boswachters, hemelbestormende architectuur en een jeugdbende in Lelystad.

En hij vertelt over een herenboer in noordoost-Groningen, de landbouwpolitiek van Sicco Mansholt en ‘De graanrepubliek’, zoals zijn boek zal gaan heten – het wordt een van de hoekstenen van de nieuwe literaire non-fictie, met Geert Maks Hoe god verdween uit Jorwerd.

Ouder en grijzer
Het toeval wil – opnieuw – dat ik twintig jaar later in dat noorden van hem ben gaan wonen, en er niet meer weg zal gaan. Nu ik op hem afstap, kijkt Frank Westerman mij een ogenblik vragend aan. ‘Toe, help me even.’ We hebben elkaar al die jaren nog wel een enkele keer gesproken, maar niet meer gezien.

‘Ouder en grijzer,’ zeg ik – ‘jij ook trouwens.’

Dan klaart zijn gezicht op en herinnert hij zich Hotel Almere alsof ik het slot gisteren schreef:

‘Almere moest een hotel zijn. Iets halverwege tijdelijk en permanent. Iets tussen zwartblauwe klei en graszoden. Een stad die nog moest inklinken, tot het zand van de put in de Tureluurweg niet langer verdween. Ik hoorde een Boeing overkomen. En daarna de ganzen. En toen die voorbij waren begonnen er padden te kwaken, en klonk nog ergens het brullen van leeuwen.’

Het beste van Atlas, 24,99 euro.
Het eerste van Fosfor, 19,99 euro.
*De oprichters van Atlas waren verder: Hans Maarten van den Brink, Jan Brokken, Chris van der Heijden, Harko Keijzer en Geert Mak.