Sjoemelen mag zolang gods zegen erop rust

En daar is de derde. Bij uitgeverij Fosfor verschijnt vandaag Hotel Almere als longread, digitaal te lezen op www.fosfor.nl. Moet je wel voor 7 euro een proefabonnement nemen, maar dan krijg je behalve mijn verhaal uit 1995 (of was het toch 1996?) ook prachtige vroege classics als Het eiland van Geert Mak, waarschijnlijk het verhaal waarmee de literaire non-fictie in Nederland opnieuw begon.

Over die literaire non-fictie valt veel te zeggen. Maks verhaal in NRC was een eyeopener voor velen. Omdat het zo volstrekt anders geschreven was dan de reportages die we gewend waren. Dat begint al met de verteller. Die is niet de afstandelijke, bijna afwezige en vooral kleur- en opinieloze journalist, maar een bewogen en betrokken mens die zich direct tot de lezer richt.

“Het eiland is vijf minuten breed en bijna een halfuur lopen lang. Het is met de rest van de wereld verbonden door een brug en een smalle strekdam. Op het stadhuis, ver weg, in het centrum van de stad, bestaat het alleen nog als een wereld van schetsen en maquettes, bevolkt door een nieuw, briljant en beeldschoon mensensoort. Maar daarover hebben we het nu niet.”

We. Wie we? Ga zitten, vrienden, en laat me vertellen hoe het zit met die stadsnomaden op het KNSM-eiland. Dat is wat Geert Mak doet. Waarna hij verder gaat als de alwetende verteller en zijn personages zo terloops introduceert dat je het nauwelijks merkt:

“Wie er wil komen moet uitstappen aan de foute kant van het station, daar waar Henny soms tippelt als ze niet te daas is. Blijf dan langs het water lopen, langs de lege loodsen waarin nog steeds de geuren spoken van kokos, cacao en verre landen, langs een torenachtig gebouw met hoge tralies, ooit gebouwd als hotel voor berooide Russische landverhuizers die wachtten op de boot naar het nieuwe leven, langs een rij huizen met tuintjes die geuren naar forsythia’s en zeeppoeder, langs een verlaten rangeerterrein waar tussen de distels nog een oude Belgische goederenwagon staat te roesten en waar het waait alsof het er altijd Nova Zembla is, en ten slotte, als je die lange weg gegaan bent, kom je in een oord waarvan slechts een enkele ingewijde de sleutels kent.”

Dat is een nogal monumentale zin. Die man kan schrijven, dacht ik toen ik dat las. En ik denk dat nog steeds, ook al heb ik inmiddels met vriend De Jong een handboek geschreven over verhalende journalistiek waarin wij betogen dat je het beter heel anders aan kunt pakken, dit genre. Mak bewijst de waarde van mijn disclaimer nadat ik verteld heb wat de spelregels zijn van verhalende journalistiek: ‘Sjoemelen mag, zolang gods zegen erop rust.’ Zolang het werkt, bedoel ik maar, is alles toegestaan.