Hoe gaat het nou met me (1)

Hoe gáát het nou met je? Dat moeten ze mij niet vragen.

Niet dat ik de vraag vervelend vind. Ze bedoelen het goed. En ik vertel graag hoe het me vergaat. Maar ik ben niet de beste bron. Voor een betrouwbaar oordeel over mij moet je niet bij mij zijn.

Ik wéét niet hoe het met mij gaat. Ik vergis me in mijn afbladderen. Zoals een middenstander in een afbraakwijk zich verkijkt op zijn kansen de crisis te overleven; hij schat zijn omzet te hoog en zijn failliet verder weg dan de feiten billijken.

Met dat verval van mijn lijf, denk ik, valt het wel mee. Ik trekkebeen een beetje. Die verkramping lijkt me voor mijn omgeving nauwelijks waarneembaar. En ze zouden het toch wel zeggen als het niet meer om aan te zien was?

Welnee. Ze kijken wel uit.

Hoe naïef ik op die momenten ben, blijkt als ik mijzelf op televisie zie. Of op foto’s van een meesterlijke fotograaf als Robin de Puy, die mij voor Vrij Nederland niet op mijn voordeligst neerzette, zoals andere fotografen beleefd probeerden, maar binnen een kwartier genadeloos doorgrondde.

Die beelden, hoe gênant en ontluisterend ook, zorgen ervoor dat ik mij soms wel zie zoals omstanders mij zien. Sjezus, mompel ik, als ik mijn kop zie schommelen. Als ik tel hoe vaak de vingers van mijn linkerhand een toets missen. Hoe scheef ik ben.

Ik vergeet die beelden onmiddellijk weer. Het is nu eenmaal een benard avontuur, zo’n sessie met De Puy. Alsof een vreemde vrouw je hoofdschuddend tot op je sokken uitkleed, terwijl ze schaterend bij De Wereld Draait Door voorleest uit je dagboek: hoe je dat hele boek uit je duim gezogen hebt en dacht dat niemand het zou merken.

Een beeldschone spookdroom.

Reacties zijn gesloten.