Falend hart

Het hart zit links van de draaideur, voor het hoofd moet je naar rechts. En dan twee trappen op – daar ergens zit de ziel, denk ik telkens als ik in het Groningse ziekenhuis moet zijn. Ik ken die poli langzaamaan, de balie, de witte jassen, de zwarte koffie, de zachte chaos. De hartpoli ken ik niet, die is verontrustend nieuw.

Een paar weken terug lag ik ineens tussen andere hartpatiënten. Met een falend hart – wat bijna even poëtisch klonk als een houten hart. Maar het bleek net iets ernstiger. Hartfalen, zoals de medische term luidt, wil zeggen dat je hart het niet meer trekt, niet kordaat genoeg pompt. ‘U heeft ooit een hartinfarct gehad,’ veronderstelde de cardioloog.

Ik had er niets van gemerkt.

Kan dat falen kwaad? Dat valt wel mee. Dat hart van mij doet alleen zeer als ik me intens op de pijntjes concentreer en me de dichtgeslibde aders voorstel, als vaten met vetranden, een tuinslang in de afvalolie, en littekenweefsel waar hartspier hoort te zitten.

Meestal doet dat hart me niets. Niet over tobben is dus de helft van de oplossing. Even dotteren de andere helft.

Ik ben gestopt met roken. Even abrupt als ik er vijfendertig jaar geleden mee begonnen was, plotseling, uit nijd, om een meisje dat me had gedumpt. Nu gooide ik een halve doos sigaren in de kliko omdat ik het ineens zat was, de laffe smaak van goedkope tabak, de stupide grijns van de sigarenboer op zaterdag, mijn dwangmatig roken.

Problemen klitten samen. Leg maar eens vier opgerolde stukken touw in een doosje en open dat doosje een half jaar later. Kluwen. Chaos. Niets aan te doen. Eerder die week had ik voor het eerst in de bus aan een student gevraagd of ik op zijn stoel mocht zitten. Ik vermoed dat Facebook zo’n moment als life event zou willen kwalificeren. Net als je eindexamen, je eerste drie huwelijken – daarna wint de inflatie het -, je kinderen, je eerste koophuis, je eerste dode. ‘Ik sta niet zo makkelijk,’ vroeg ik. Hij stond vriendelijk op.

Ik schrijf nog steeds. Dat het zo bizar zou worden, wist ik niet. Statistisch leek het me uiterst onwaarschijnlijk dat ik naast de parkinson ook nog iets anders zou krijgen dat even ernstig leek. De bliksem slaat niet twee keer op dezelfde plek in. Niemand wint de staatsloterij twee keer achter elkaar. Dacht ik.

Ik wist toen nog niet dat er wel degelijk serial winners in de wereld zijn, een Israëliër, een Noor, een Amerikaan. En dat de kans op nog een kwaal na de eerste eerder groter wordt dan kleiner. Of dit nog een goed verhaal is, weet ik niet. Het is een sterk verhaal, dat wel.

 

Reacties zijn gesloten.