Tijd voor een antwoord

Op een zondagavond vraag ik Sandra of ze bij me komt zitten onder de appelboom. ‘Ik wil met je naar de zwaluwen kijken,’ zeg ik. Mijn lief begrijpt wat ik bedoel. We moeten het er maar eens over hebben.

Vier jaar eerder tuurden we ook uren naar dat gewemel. We namen er de tijd voor, vreemd opgelucht omdat ik eindelijk wist waarom ik zo slofte, soms struikelde over niets en aldoor zo allemachtig moe was.

Parkinson, had de neuroloog gezegd, is ongeneeslijk en progressief. Je gaat er niet dood aan, begreep ik, maar het loopt lullig af. Je eindigt invalide, al kan dat nog tien of twintig jaar duren. En als je pech hebt, word je dement.

Jaar na jaar heb ik mij afgevraagd of ik dat wel wil. Of ik wil vergeten waar ik ben, hoe mijn kinderen heten en wie me stukjes appel voert. ‘Sandra? Die vent ken ik niet,’ zei mijn schoonvader op het laatst. Mijn god, dacht ik. Zo niet.

Met Sandra sprak ik daar niet over. Zij weet toch hoe ik denk over euthanasie? Maar nu, terwijl ik onder de appelboom zit te schrijven, moeten we het toch maar hebben over mijn wilsverklaring. Niet omdat ik al dementeer; dat doodgaan van mij heeft geen haast. Het boek erover wel.

‘Je wist dat ik ouder en grijzer zou worden,’ begin ik. ‘Maar dat je straks mijn veters zal strikken, mijn rolstoel duwt en me moet voeren…’

‘Doe niet zo raar,’ zegt Sandra. ‘Ik heb altijd geweten dat dat kon gebeuren. Of andersom. Dat je mij zou moeten duwen.’

‘De parkinson en die lullige afloop,’ zeg ik, ‘dat moet te doen zijn. Die ongemakken wil ik wel verdragen. Het schudden van mijn kop, een been dat aldoor weg wil. Dat iemand mij moet wassen – mijn hemel, als ik nog kan lezen wil ik desnoods een luier om.’

Je houdt je groot, zie ik Sandra denken.

‘Maar als ik jou voor een onbekende vent aanzie, mag het wel afgelopen zijn.’

Zo simpel is dat niet, zegt Sandra.

Dat weet ik best. Hoe graag je het ook wilde, als je al diepdement bent, laat de dokter je niet sterven. Eerst vond ik dat een flagrante inbreuk op mijn recht op zelfbeschikking. Later ging ik die artsen begrijpen. Je maakt niet iemand dood die zelf niet meer weet wat ‘m overkomt, of waarom.

‘Als ik de moed kan vinden, wil ik het vóór zijn,’ zeg ik. Met de hulp van een arts, of met clandestiene pillen van internet. Ik wil mijzelf maar ook háár dat ellendige, tergend langzame verdwijnen besparen.

‘Als dat jouw keuze is…,’ aarzelt Sandra. Maar dan zegt ze iets waar ik niet op rekende. Ik dacht dat ik wist wat ik wilde, maar ben na wat zij zegt van niets nog zeker.

‘Ik zal je helpen,’ zegt Sandra, ‘maar misschien dat ik net zo lief tot het laatst toe voor je zorg.’