Ik ben beter dan ik was

Met B. stond ik bovenaan het trapje met de glanzende aluminium treden naar het buitenterras van Boven Jan. Met drie andere collega’s hadden we gegeten en gelachen en een beetje geroddeld – en vooral ook gedronken. Het was zo’n avond met B., een avond met veel bier. Hij ging mij voor. Onderaan de trap stonden een man en een vrouw. Zeven treden, schat ik.

Het gaat goed met me, had ik mijn vrienden verteld. Beter eigenlijk dan een jaar geleden. Toen had ik hele dagen pijn in mijn nek en adviseerde de neuroloog me een hernia-operatie, waar de neurochirurg goddank niets voor voelde. En zo uitgevloerd moe als ik was in de eerste twee jaar parkinson, ben ik ook niet meer.

Nou zit daar iets van zelfbedrog in. Ik doe steeds minder en vermijd stress, wetende dat stress een belangrijke trigger is voor parkinson. En ik wen aan ongemakken. Als ik wat langer achter mijn laptop zit, om te schrijven of te knutselen, verkrampen mijn handen en moet ik stoppen. En als ik de veters van mijn schoenen strik, kom ik buiten adem overeind – wat een gevolg is van mijn hart-voor-halve-dagen. Die pomp doet het maar op 50 procent.

Maar toch. Ik ben volgende maand vijf jaar officieel parkinsonpatiënt. Dat is halverwege de statistische tien jaar waarin de gemiddelde patiënt, die niet bestaat, hulpbehoevend wordt. Ik begin nu te denken dat ik daar tenminste vijftien jaar over ga doen, wat zou betekenen dat ik de parkinson voor blijf tot na mijn pensionering.

Maar dan moet ik niet met te veel zelfvertrouwen de eerste treden nemen van een aluminium trapje in Boven Jan. Normaal gesproken houd ik mij altijd met ten minste één hand vast, en daal ik trappen tree voor tree af. Nu niet. Mijn linkervoet gleed weg, mijn evenwicht ging er achteraan, en ik schoot voorover, struikelend, en landde tussen het stel, zij geschrokken, ik vloekend.

Een geschaafde knie. Meer niet. Godlof niet achterover gevallen en mijn kop gestoten op bijvoorbeeld zo’n metalen trede. Ik heb meer geluk dan mij toekomt.