De mooiste dood zie je niet aankomen

schrijver en journalist

Mijn vader stierf om tien voor acht. Hij lag op een kamer voor vier en had tegen een andere man gezegd dat het Acht Uur Journaal al begonnen was – wat niet klopte. Het was oudejaarsavond 1985. Mijn vader wist niet meer hoe laat het was en ging toen zomaar dood.

scannen0004

Een kwartier daarna stond ik aan zijn bed. Ik zag zijn magere hoofd, het warrige witgrijze haar, de holle wangen. Zijn wijd open ogen. Hij moet geschrokken zijn van wat hem overkwam. Troostend was de gedachte dat het infarct hem had behoed voor jaren van tergend dementeren. Het was niet eens zo’n beroerde dood.

Elf jaar later stierf mijn moeder. Te jong, net als mijn vader, en nóg onverwachter, terwijl ze tv keek en koffie dronk. Hoeveel zij van haar sterven wist? Heel weinig, heel even. Hoop ik.

Is dat geen dood om jaloers op te zijn? Willen we niet allemaal zo’n vertrek, een dood als een insluiper, een sterven dat onaangekondigd langskomt en voorbij is voordat je er erg in hebt?

Als we ernstig ziek zijn, verlangen we nog meer. Opvallend vlot, binnen één of twee generaties, zijn we het normaal gaan vinden dat we de dokter om barmhartigheid kunnen vragen. Wie ondraaglijk en uitzichtloos lijdt, kan euthanasie krijgen. Aan die praktijk kleefde een halve eeuw terug nog iets obscuurs, maar sinds 2002 is het bij wet geregeld. Net als koffieshops, abortus provocatus, prostitutie en getrouwde homo’s. Wij maken zelf uit hoe we leven en doodgaan, ook al vinden sommige critici dat we doorschieten met dat modieuze sterven op bestelling.

Des te curieuzer is het dat ons vrijzinnige standpunt – we zijn alleen van onszelf – omslaat in moralistische dwingelandij wanneer we ons laten verrassen door de zelfgekozen dood van een vriend, een geliefde of een tv-persoonlijkheid. Dan voelen we ons gekwetst en verraden. Het recht op zelfbeschikking dat we onszelf zo principieel en ruimhartig gunnen, miszeggen we de ander zodra wij de achterblijvers zijn.

Euthanasie is soms even verwarrend als vanzelfsprekend. Sinds de wet van kracht werd, is niet één arts justitieel voor euthanasie vervolgd. Toch worden artsen gewantrouwd. En ondanks alle toetsing zijn we als de dood dat demente ouderen routineus worden ‘geholpen’.

Met deze verdwaalde bejaarden weten we ons sowieso geen raad. Elk jaar overlijden er 10.000 (op in totaal 140.000 sterfgevallen), velen na een lijdensweg van jaren. De meesten moeten erop gerekend hebben dat de dokter hen die ontluistering zou besparen. In de wet stond immers dat euthanasie ook bij gevorderde dementie mag. Begin dit jaar probeerde minister Schippers met haar Handreiking wilsverklaring elke onduidelijkheid weg te nemen. De pers schreef dat euthanasie bij diep-demente bejaarden ‘makkelijker’ werd.

Die conclusie is niet juist. Als de voorwaarden voor euthanasie al verruimd zijn – het hangt er maar vanaf met welke interpretatie van de wet je het vergelijkt –, als artsen al iets meer mogen, blijft nog steeds staan dat die artsen het niet willen, dat ze geen mensen dood maken die niet meer begrijpen wat er met ze gebeurt.

Voor niemand kan dat een verrassing zijn geweest, want artsenfederatie KNMG praatte mee over de handreiking, en die vindt al tientallen jaren dat een dementerende patiënt zijn doodswens moet bevestigen. ‘Al is het maar met een hoofdknikje’, zei de KNMG-voorzitter.

‘Sterven is doodeenvoudig, iedereen kan het’, placht René Gude te zeggen. De ‘denker des vaderlands’ dreef de spot met zijn eigen, nakende einde. In het echt is doodgaan niet zo simpel, eerder een rommeltje, vaak pijnlijk, eenzaam, doodeng en ontluisterend. Daarbij vergeleken is een dood die je niet zag aankomen, de insluiper, de dief in de nacht, inderdaad doodeenvoudig.

De genade van zo’n dood spreekt bijna iedereen aan. Misschien dat veel ouderen daarom zo vreemd zorgeloos over dementie spreken. Niet dat het niet verschrikkelijk is, want dat is het, maar dan toch vooral voor de achterblijvers. De ouderen zelf stellen zich voor dat ze dan al zo van de wereld zijn, zich zo weinig bewust van hun bestaan, dat euthanasie zoiets is als die dief in de nacht, een dood die je niet aan zag komen.
Geen mens wil dement worden. Liever blijven we gezond. Maar als het lot je dan toch treft, denken veel ouderen, is het misschien niet eens zo akelig als je euthanasie krijgt tegen de tijd dat je diep dement bent.

Wat is daar nou mis mee? Dit: iemand moet het doen. Op een verloren middag moet een ander mens, een achterblijver, besluiten dat het glazen schaaltje naast je bed je laatste beetje appelmoes zal zijn. En dat je daarna niet langer hoeft te leven. Omdat je pijn hebt of reddeloos verward bent. Of zo intens verdrietig lijkt. Of altijd hebt gezegd dat je dit mensonwaardige einde niet wilde.

Je huisarts kun je niet vragen dat besluit voor zijn rekening te nemen. Maar misschien kun je die dokter, als je er heel vroeg al over begonnen bent, wel vragen die beslissing sámen te nemen met iemand die je hebt aangewezen toen je dat nog kon, je gevolmachtigde.

Beiden, stel ik mij voor, hebben een veto. Ze moeten het dus eens worden.

En ze besluiten sowieso niets als je laat blijken (‘Ik dood? Welnee joh’) dat je het niet wil.

Maar als dat stadium gepasseerd is en zij samen vinden dat het moment gekomen is, als ze samen beslissen dat ze jouw wens recht doen door je te behoeden voor het lamentabele na-bestaan dat je nooit wilde – dan mag de huisarts de kamer uit. En helpt je naaste je met doodgaan.

Maar hoe? Kan dat zonder dat het een rommeltje wordt? Misschien als we erover nadenken. Eerst moet hulp bij zelfdoding zijn gelegaliseerd en ten slotte moet je als beginnend-demente een naaste vinden die er minder moeite mee heeft dan je huisarts om jou straks dood te maken, ook als jij hem of haar daarbij met grote verbaasde ogen geschrokken aan blijft kijken.

 

Dit stuk verscheen als opinieartikel in het kwartaaltijdschrift Relevant van de NVVE.