Pas op de plaats

schrijver en journalist

Het is alsof de duvel met me speelt. Vorige maand kochten we een nieuw huis. Wat kleiner en minder bewerkelijk; dat werd zachtjesaan tijd. En een week terug bespraken we praktisch en opportunistisch hoe die woning zich aan mij moest aanpassen. Drempelloos, rolstoelvriendelijk, levensloopbestendig – woorden uit een zorgfolder of verzekeringspolis, taal ‘voor later’.

Ineens is dat later nu. Tijdens een weekje op ‘Schier’, eind juli: nog niks aan de hand. Fietsen, lopen, sjouwen – geen centje pijn. Terug thuis een paar uur groen gesnoeid in de tuin en nog een potje getennist – al was het maar om te laten zien dat dat nog steeds ging.

Tegen vrienden zei ik dat de parkinson bij mij geen haast leek te maken. Pas op de plaats. De symptomen waren minder heftig dan een jaar geleden, toen ik doorlopend pijn had, aldoor moe was, en minder opgewekt dan ik wilde.

De laatste maanden kwijl ik minder, struikel ik niet, kan ik meer aan, en komt het uithoudingsvermogen terug dat ik kwijt was geraakt aan een haperend hart.

En toen, na die week op Schier, werd alles weer eens anders. Sinds een dag of drie houd ik me ’s ochtends met beide handen vast aan elke deurpost, leun ik op elk kastje om niet onderuit te gaan, is mijn lopen minder dan strompelen, en vraag ik me af waar die stekende pijn vandaan komt, de kramp van stuitje tot hamstrings en verder van kuiten tot voetzool. Dit is niet leuk meer.

De scherpste randen van die pijn verdwijnen als ik mijn medicijnen slik (levodopa, selegiline en requip). Een half uur later – denk ik, ik zou het moeten klokken – loop ik niet meer als een man met twee gebroken benen. Nog een uur later wandel ik alsof er niets nieuws aan de hand is en als ik me verder gedeisd houd, kan ik zelfs even tennissen.