Mag ik nog dood als ik niet meer weer wat dood is

14 september 2016 Dood&Aftakeling 0
Op de dag af vier jaar later. We zitten onder de appelboom, en ik vertel mijn lief over mijn wilsverklaring. Het valt me zwaar. Wat voorheen een filosofisch en politiek probleem was, komt akelig dichtbij als je het uitlegt aan de omstanders.

De nabestaanden.
Je lief en je kinderen.
De achterblijvers.

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw is euthanasie in Nederland net zo breed ingeburgerd als die andere liberale, in menig buitenland niet helemaal begrepen verworvenheden: abortus, coffeeshop, homohuwelijk en de prostituee als fiscaal erkende zzp’er. Wie ondraaglijk en uitzichtloos lijdt, aan bijvoorbeeld terminale kanker of ALS, vraagt zijn huisarts om euthanasie.

Sinds de wet van kracht werd, hebben ongeveer vijftigduizend mensen euthanasie gekregen. Niet één arts werd vervolgd omdat hij zich niet aan de zorgvuldigheidseisen hield, niet de juiste euthanatica gebruikte, geen second opinion vroeg of zijn handelen niet meldde bij de gemeentelijke lijkschouwer.

We eisen die pil met ‘een bol-dot-com-mentaliteit’: vandaag voor 23.00 uur besteld, morgen in huis
Van al dat zachte sterven zijn we warempel gaan denken dat we zelf kunnen beschikken over ons levenseinde, dat waardig zal zijn, en pijnloos uiteraard, tot op het punt dat het sommige artsen te gortig wordt. Inmiddels claimen we dat sterfrecht alsof het een service van de KwikFit is. We eisen die pil, zei een arts, met ‘een bol-dot-com-mentaliteit’: vandaag voor 23.00 uur besteld, morgen in huis.

Met de euthanasiewet sloten confessionelen en progressief-liberalen een compromis waarbij geregeld werd wat al lang geregeld was, euthanasie voor terminaal zieken, en besloten werd het voorlopig maar niet te hebben over moeilijke gevallen, bejaarden bijvoorbeeld die zo dement zijn als ze nooit wilden worden.