Mag ik nog dood als ik niet meer weer wat dood is

14 september 2016 Dood&Aftakeling 0
De euthanasiewet kent op papier de mogelijkheid van een goede dood voor dementen. Een arts mag een wilsonbekwame patiënt laten sterven als die ondraaglijk en uitzichtloos lijdt. Als die patiënt zijn wens heeft vastgelegd in een wilsverklaring, hoeft hij zijn doodswens niet meer te kunnen bevestigen. De arts kan niet meer, zoals de wetgever graag wilde, ‘met de patiënt’ tot de overtuiging komen dat het lijden ondraaglijk is en de patiënt wil sterven, maar moet zich volgens de Memorie van Toelichting slechts ‘voor zover mogelijk’ aan die zorgvuldigheidseisen houden.

Els Borst, die als D66-minister de wet door het parlement loodste, ook als zij niet meer dood lijkt te willen, moet een arts zich daar niets van aantrekken, want het is nog steeds

Dat haar euthanasiewet mislukt is, blijkt uit het feit dat de interpretatie van Borst ook maar één lezing is. Een andere zegt dat de arts er nog altijd van overtuigd moet zijn dat de dementerende nú ondraaglijk lijdt (er moet sprake zijn van ‘actueel lijden’), dat dat een zichtbaar en dus medisch classificeerbaar lijden moet zijn, en de patiënt zijn sterfwens moet bevestigen – wat wilsonbekwame patiënten nou uitgerekend niet kunnen.

Anders dan de meeste Nederlanders denken, is de wet niet geschreven voor de patiënt, maar voor de arts. De wet is nauwelijks meer dan de codificatie van wat bijna twintig jaar eerder al door rechters werd geformuleerd, die zich daarbij lieten leiden door artsenfederatie KNMG. Dat verklaart misschien waarom niet de wens van de patiënt leidend is, maar de afweging van een arts die klem raakt tussen zijn roeping barmhartig te zijn en de plicht het leven te beschermen.

De euthanasiewet is gebouwd als praktische oplossing voor een technisch probleem: de strafuitsluitingsgrond voor artsen. Dat blijkt ook uit de controle door de regionale toetsingscommissies: die beoordelen of de arts een euthanasie zorgvuldig heeft uitgevoerd, niet of die arts de patiënt tekortdoet door euthanasie te weigeren, wat in twee derde van alle euthanasieverzoeken gebeurt, en bij vrijwel alle dementerenden.

Artikel 2 lid 2 is een dode letter, omdat de wet er geen recht voor de patiënt aan verbindt, noch een plicht voor artsen. Tegelijkertijd hebben die artsen het monopolie; alleen zij mogen iemand laten sterven, waardoor hun ethiek of de gedragscode van hun beroepsvereniging KNMG feitelijk wet is. Als de wetgever dat had willen voorkomen, had hij ook leken moeten toestaan wat artsen mogen. Maar hulp bij zelfdoding, in veel andere landen even legaal als euthanasie er illegaal is, is in Nederland nog net zo strafbaar als aan het eind van de negentiende eeuw.

Voor patiënten is wilsonbekwaamheid – ‘ik ben die man niet meer’ – vaak de ultieme reden te willen sterven. Voor artsen is datzelfde onvermogen de reden een patiënt juist niet te laten sterven. ‘Hij is de man van die wilsverklaring niet meer.’ Die ironie schrijnt.