Het beest in de bek kijken – over de euforie van René Gude

schrijver en journalist

René Gude bezwoer er zijn angst mee, met de aandacht voor de éénbenige, euforisch-vrolijke, ten dode opgeschreven filosoof die hij de laatste jaren was. De ene na de andere journalist ontving ‘de denker des vaderlands’ in zijn Amsterdamse woonboot. Hij had dat been liever niet gehad, of juist nog wel eigenlijk, maar vertelde graag bij De Wereld Draait Door hoe hij ‘het beest in de bek keek’.

Zijn weduwe, Babs van den Bergh, schreef er een aangrijpend boek over, Wat kan mij gebeuren. Pagina na pagina viel het mij zwaarder het te lezen. Zo gaat dat dus, aftakelen, uit elkaar vallen door een zeldzame vorm van botkanker, afhankelijk worden van vrienden die met je komen lunchen, de pijn van chemotherapie, doodgaan. Gude riep ‘bel 112, this is it, en stortte voorover op de rand van het bed’, besluit zijn weduwe haar boek.

In NRC vertelt Babs van den Bergh over haar man. Over zijn opgewekte, strijdbare natuur, en over die aandacht. Natuurlijk herken ik dat. Wie een boek schrijft, en de publiciteit zoekt, wentelt zich in het warme bad van aandacht. Daarmee houdt de vergelijking ook op. Mijn been doet zeer, steeds vaker, ik vervloek het soms, maar ga er niet dood aan, terwijl dat van Gude, toen het nota bene al was afgezet, hem alsnog vermoordde.

Kruk

Bezweer ik ook mijn angst?

Vaak wel, begin ik te vermoeden. Ik vertel een vriendin hoe ik ’s ochtends van bed naar badkamer strompel, dat ik dan nog nauwelijks kan staan, de pijnkramp laat me bijna vallen.

Maar goddank heeft mijn lief, zeg ik dan opgewekt, een douchekruk gekocht. En hebben we een elektrieke deken laten komen van het merk waaronder mijn ouders ook al sliepen. In ons nieuwe huis laten we bredere deuren zetten, voor de rolstoel ja. En brengt de elektricien vast een aansluiting aan voor een traplift.

Ik som het op als een verzameling curiositeiten, zoals je de eigenaardigheden van een plattelandsdorp beschrijft. Rare lui. Vreemde gewoontes. Maar toch heel vriendelijk.

Schmieren

Dat mag best schmieren heten. Natuurlijk besef ik dat zulke anekdotes pijnlijk zijn. Vooralsnog kan ik bovendien nog wel even zonder rolstoel of kruk, en heb ik – zo lang mijn lief het gevloek en geblaas tolereert – ook nog geen looprekje nodig om in de badkamer te komen.

Misschien vertel ik het wel omdat het ook hilarisch is, die kruk en dat looprek – zoals struikelen vaak komisch is – niets zo leuk als leedleuk, zei Kees van Kooten geloof ik al.

Het moet stoer klinken. Omdat ik hem knijp. Over anderhalve week begin ik, als alles goed gaat, met apomorfine-injecties. Geen pijnstillers, al lijkt dat zo, maar forsere parkinsonmedicatie. Die spuiten moeten mijn overenthousiaste hersencellen wat kalmeren, de kramp wegnemen, en dan ook de pijn.

Maar het is wel de volgende fase van een ziekteproces dat lullig afloopt.