‘Als ik de schaamte loslaat, ontstaat er iets moois

schrijver en journalist

Waar schuilt de schoonheid in het verval? De Nederlandse journalist Henk Blanken kreeg Parkinson en schreef er een boek over, zonder mededogen . ‘Toen ik mijn diagnose kreeg, vroeg ik me af hoe ik het zou opschrijven. Pas daarna vroeg ik me af wat dit betekende voor mijn vrouw en mijn kinderen.’

Wouter Woussen, De Standaard, 24-10-2015
Mensen zeggen dat Henk Blanken (56) er goed uitziet en hij zegt dat hij dat kan geloven. Hij heeft een hele zomer lang weinig anders gedaan dan tennisspelen en in zijn tuin zitten in Groningen, onder een oude appelboom die nauwelijks nog fruit draagt. Maar wanneer hij op televisie komt, schrikt hij van hoe hij eruitziet. Als hij rechtstaat, trekt zijn linkerbeen samen. Als zijn rechterhand iets doet, doet zijn linker mee. Hij grijnst en fronst en zijn hoofd schommelt lichtjes, alsof hij het helemaal niet eens is met wat je zegt. Zelf vergelijkt hij het met zo’n knikkend speelgoedhondje dat je soms op de hoedenplank van een auto ziet.

‘Het is wel een goed verhaal’, speelde er meteen door zijn hoofd toen hij zijn diagnose kreeg. Erger nog: in zijn hoofd was hij al bezig de lichtinval van de spreekkamer van de neuroloog aan het beschrijven, als de journalist en schrijver die hij een 37 jaar lang is geweest. Verhalen brengen troost en orde. Ze houden herinneringen vast, van en aan een schrijver die zelf steeds meer vergeet. Hij schreef er een boek over: Pistoolvinger, een non-fictieroman over parkinson en de schoonheid van het verval.

Henk Blanken (56) is niet de enige Nederlandse journalist die van zijn ziekte zijn onderwerp heeft gemaakt. Deze zomer overleed Albert de Lange, voormalig adjunct hoofdredacteur van Het Parool, aan kanker, twee weken nadat hij dat in zijn laatste column had aangekondigd. Toen Peter Steinz, literair recensent bij NRC Handelsblad, de ongeneeslijke spierziekte ALS kreeg, begon ook hij een column. Het is een ‘per definitie uitstervend genre’, zoals een kennis Henk Blanken onlangs voor de voeten wierp. Hij kan erom lachen, maar preciseert meteen dat hij een diep respect heeft voor zijn collega’s. Hij vindt ook dat hun verhaal ‘eindiger’ is dan het zijne: ‘Je gaat niet dood aan parkinson. Bij mij loopt het gewoon lullig af.’

Intussen is hij geen journalist meer, omdat hij het fysiek niet meer aankan. Maar zijn beste verhalen heeft hij geschreven na zijn diagnose, zoals ‘Carels hoofd’, een prijswinnend artikel over een man die een hersenoperatie ondergaat. ‘Ik heb veel aan die parkinson gehad. Ik heb er misschien meer aan gewonnen dan ik eraan verloren heb. Dat blijft natuurlijk niet zo: die ziekte gaat door en de winst misschien niet.’

Wat is de winst?

‘Het is door die ziekte dat ik weer ben gaan schrijven. In de loop van mijn carrière was ik hoofdredacteur geworden, vanuit het misverstand dat ik daar talent voor had. Die baan raakte ik kwijt tien dagen voor ik mijn diagnose kreeg. Met parkinson had ik geen uitzicht op ander werk en de krant waar ik toen werkte (het Dagblad van het Noorden, red.) was zo goed om mij als onderzoeksjournalist in dienst te houden. Ik ben me door die ziekte vragen gaan stellen waar ik voordien niet toe kwam. Ik ben beter beginnen nadenken over schrijven dan ik ooit heb gedaan. Ik werk nu kalmer en minder gehaast. Ik ben ontvankelijker en bedachtzamer. Ik heb niet meer die onmogelijke bewijsdrang.’

Tijdens het interview rookt hij een sigaar en drinkt hij bier. Hij is blij dat hij nog eens in Antwerpen is en heeft duidelijk nagedacht over wat hij wil vertellen, zoals die anekdote hoe hij in april 1985 schrijver werd in de tuin van wijlen Herman De Coninck, die enkele van Blankens gedichten publiceerde in het Nieuw Wereldtijdschrift. ‘Eigenlijk was ik eerder schrijver in Vlaanderen dan in Nederland. De ironie is dat ik hier nu weer ben op de dag dat ik opnieuw een beetje schrijver geworden ben. Vanochtend om negen uur heb ik bij mijn uitgever de eerste boeken opgehaald. Het is mijn vijfde boek, maar het voelt als een debuut: mijn eerste echt literaire boek. Ik wil laten zien dat ik het stilaan kan, dat ik meer kan vertellen dan het verhaal van een man die ziek is.’

Dat klinkt toch nog als bewijsdrang.

‘Dit boek is geen bewijsdrang meer. Of misschien wel, maar de haast is eruit. Ik schrijf heel erg zorgvuldig en traag: veertig woorden per dag. Ik heb geen geweldige taalrijkdom, maar ik denk wel dat het melodieus is wat ik maak. Als ik een woord nodig heb met drie lettergrepen en de klemtoon op de eerste, zoek ik tot ik er een heb, anders is die zin niet goed meer. Ik geniet ervan. Het is beter dan seks: iets opschrijven en dan pas vaststellen dat het klopt zoals het er staat.’

Heb je dat gevoel met dit boek?

‘Ja. Als ik het hiermee niet heb, zal ik het nooit meer hebben. Het is een goed boek, omdat het over veel meer gaat dan parkinson. Het gaat over de functie van verhalen vertellen en over de wondere wegen die ons geheugen aflegt. Het gaat om de onhebbelijkheid van het leven dat je dingen verliest. Vriendschappen gaan verloren. Je raakt je geloof kwijt, je jeugdliefdes, je onschuld. Eigenlijk kan ik heel moeilijk om met verlies. Het boek gaat ook over mijn overleden vader. Toen ik ermee bezig was, zag ik in dat ik steeds meer op hem ben gaan lijken: een tamelijk armzalige, bange, burgerlijke, initiatiefloze man. Omdat ik inzie dat ik zelf zo geworden ben, kan ik beter accepteren wie hij was. Ik heb er vrede mee.’

Je vader stierf toen je 26 was. Kun je daar ook vrede mee hebben?

‘Daar moet je geen vrede mee hebben, dat is gegaan zoals het gegaan is. Hij ging dood in een ziekenhuis op oudejaarsavond. Hij had alzheimer en was al behoorlijk in de war, verkreukeld, gekrompen en bang. Ik was er met mijn vrouw, Sandra en hij stierf toen wij net weg waren. Mijn moeder was niet eens bij ons. We wilden nog wel even blijven, maar het bezoekuur was afgelopen. In 1985 was dat gewoon zo. Hij was maar een paar dagen in het ziekenhuis. Hij had wat vage klachten, niemand dacht dat hij zou sterven. Pas achteraf geef je dat moment meer betekenis. Toen ik hem samen met Sandra uit bed tilde om hem in een rolstoel tilde, was dat een intimiteit die ik nooit met hem gekend had.’

Henk Blanken krijgt de tranen in zijn ogen en lacht. ‘Ik word er emotioneel van, maar dat komt ook een beetje door de Parkinson. Ik ben snel emotioneel. Van een afgebroken berkentak schiet ik al vol.’

Je kreeg je diagnose op 21 juni 2011. Hoe gaat het nu?

‘Voorlopig gaat het goed. Ik verkramp. Ik heb mijn linkerkant niet meer onder controle. Als ik me sta te scheren met rechts, doet mijn linkerhand onbewust mee. Ik heb last van kleine dingetjes: een droge mond, dat geschud, de hele dag pijn. Maar er zijn pijnstillers en als ik ga slapen, heb ik nergens last van. Ik tennis nog, al is het op het allerlulligste niveau. Het is nog heel erg leefbaar, vooral omdat ik intussen begin te geloven dat het niet zo hard gaat. Gisterochtend zag ik een man van achterin de veertig die ook parkinson heeft. Hij is anderhalf jaar ziek en zo beweeglijk als de pest. Hij krijgt zijn veters al niet meer zelf los. Dan heb ik goddomme geluk dat het bij mij wat langzamer gaat, dat ik altijd nog kan schrijven en dat ik mensen om mij heen heb die mij helpen. Als je alles zelf moet opknappen en er is geen alternatief voor het leven dat je had, dan wordt het verrekte moeilijk. Ik heb een bloedhekel aan dat Lance Amstrong-achtige kom-op-we-vechten-tegen-de-ziekte. Je zult mij dus niet horen zeggen dat andere mensen optimistischer moeten zijn, maar zelf kan ik er tamelijk vrolijk mee omgaan.’

Hoe is het voor je vrouw en je kinderen?

‘Ik vind het heel moeilijk om daar iets over te zeggen. Ik weet dat ze zich veel meer zorgen maken dan ze willen laten zien. Ik denk ook dat ze behoorlijk ondersteboven zijn van dit boek, terwijl mijn intentie helemaal anders was. Ik wilde ze zo graag laten zien dat je er iets uit kunt halen. Dat er onder de ellende iets moois verstopt zit. Tot mijn vijftigste ben ik geen goede vader geweest, omdat ik er nooit was. Toen ik ziek werd, kreeg ik de kans om dat deels goed te maken. Dat is de belangrijkste reden waarom ik niet wil wegzakken in miserie en getob. Ik wil laten zien dat je opgewekt kunt blijven, ook als je langzaam maar zeker uit elkaar valt. Ik weet niet of dat lukt. Ik weet niet welk beeld bij hen zal beklijven: mijn optimisme of mijn gestruikel. Je kunt opschrijven dat je op een dag van de trap zult vallen en je kunt daar een mooi verhaal rond vertellen. Ik wil tonen dat er humor zit in het gehannes en schoonheid in het verval, maar ik weet niet of dat lukt. Het kan best dat de angst om hun vader te verliezen groter is, dat ze de poëzie niet zien, enkel denken aan wat ze moeten doen als hun pa daar onderaan de trap ligt.’

Misschien wil jij heel hard poëzie zien waar er geen is.

‘Er zit poëzie in. Dat bewijst het boek. Maar het is tegelijk een boek waarin ik mij de hele tijd afvraag hoe ik dood wil gaan. Ik denk dat je het op twee manieren kunt lezen. Je kunt het zien als een mooi geschreven verhaal waar je misschien wat kracht uit put. Maar je kunt er ook heel verdrietig van worden, want het loopt buitengewoon lullig af.’

Heb je schoonheid gevonden in het verval?

‘Ik wil ze heel graag vinden, maar het klopt natuurlijk niet. Vorig jaar was ik op bezoek bij Thijs en Marja, een ouder echtpaar dat ook in het boek komt en waar ik intussen mee bevriend ben. Thijs heeft alzheimer. Het was nazomer en we zaten samen voor hun caravan. Ik zat daar maar driftig te te zoeken naar de schoonheid van het verval, tot Marja tegen mij zei; “Henk hou nou toch op, kijk eens naar mijn man. Daar is niets moois aan.” Daar zit je dan met je goede fatsoen. Probeer dan maar eens een mooi boek te maken.’

Het is een mooi boek geworden, maar ook confronterend. Je gaat ook op zoek naar al wat lelijk is en beschrijft meedogenloos hoe je voor het eerst in je broek plast. Waarom doe je dat?

‘Waarom doe ik dat? (denkt lang na) Omdat het zo is. Omdat het schrijven me meer waard is dan het decorum. Het verhaal is belangrijker.’

Je bent bereid om te struikelen, zolang jij maar zelf over dat struikelen kunt vertellen.

‘Precies. Het werkt ook omgekeerd. Als ik er niet over zou kunnen schrijven, zou het een stuk ondraaglijker zijn. Het is een keiharde voorwaarde. Ik ben niet gelovig, maar je kunt het omschrijven als een ruil met God. Als ik van Hem het schrijven krijg, krijgt Hij mijn schone ondergoed. Zo werkt het. Je krijgt maar één kans om zo’n boek te schrijven. Laat ik dan maar eerlijk zijn. Ik schrijf het allemaal op, niet een beetje, maar onverbloemd. Er zijn ook best dingen die er niet in staan, dingen over mijn naasten. Over mezelf wil ik alles vertellen. Ik heb niet veel schaamte meer. Als je weet dat je er steeds raarder uit gaat zien, dat je af en toe kwijlt, dingen vergeet en moeilijk uit je woorden komt, wat heeft schaamte dan nog voor zin? Het zit alleen maar in de weg. Het kost alleen maar energie.’

Zie je dat als een universele levensles?

‘Schaamte kan heel nuttig zijn. Als je een baan hebt waarbij je succes wordt afgemeten aan de kwaliteit van je schoenen, dan heeft schaamte een functie. Voor mij geldt dat niet. Ik zit in de tuin en ik schrijf. Als ik de schaamte loslaat, ontstaat er iets moois. Schaamte is in mijn geval het laatste wat je nodig hebt. Dat zeg ik ook omdat ik weet dat heel veel parkinsonpatiënten zichzelf problemen aandoen omdat ze zich schamen. Ze verzwijgen wat ze hebben omdat ze bang zijn om hun werkt te verliezen. Ze gaan de straat niet meer op omdat ze zich schamen voor hun overbeweeglijkheid. Dat is doodzonde.’

Ben je gelukkig?

‘Ik ben geen blije eikel, de idioot die gelukkig is tegen de feiten in. Ik ben zeker niet gelukkiger dan voor mijn diagnose. Dat zou een gotspe zijn. Ik was toen best gelukkig, alleen was ik nogal eenkennig.’

Heb je je tijdens het schrijven nooit afgevraagd waarom iemand een boek over jouw ziekte zou lezen?

‘Jawel. Ik heb ook niet de illusie dat dit voor een heel groot en breed publiek is, maar als ik zeg dat het een mooi, belangwekkend verhaal is, geloof ik dat echt. Ik geloof in de schoonheid en in de relevantie van de problematiek. Maar ik wil het ook vooral vertellen omdat het een manier is om te blijven bestaan. Dan vraag je je niet af hoeveel lezers je exact zult hebben.’

Dit boek lijkt een levenswerk. Wat ga je nu nog doen?

‘Ik schrijf. Ik werk aan een roman.’

De roman die in je boek beschreven staat als ‘een roman die nooit afkomt’?

(Gniffelt) ‘Een verre afgeleide van die roman, intussen. Ik werk er al sinds 1998 aan. Ik moet schrijven. Ik schrijf elke dag wel iets. Ik doe het de hele tijd. Toen ik hoorde dat ik ziek werd, vroeg ik me al af hoe ik het zou opschrijven. Ik schaam me dat ik niet meteen dacht aan wat dit betekent voor mijn vrouw en voor mijn kinderen. Ik wilde vastleggen hoe het voelde. Misschien moet ik de rest van wat komt ook maar opschrijven.’

Ben je bang voor wat er komt?

‘Wat is bang zijn? Je bent bang voor wat je onmiddellijk bedreigt, maar niet voor wat je binnen vijf of tien jaar te wachten staat.’

Je boek is ook een zoektocht naar hoe je wilt sterven. Hoe wil je sterven?

‘Iemand met parkinson heeft een twee tot vijf keer hogere kans om dement te sterven. Volgens sommige bronnen word je sowieso dement als je niet eerder aan iets anders sterft. Toen ik dat vernam, begon ik me af te vragen of ik dat wil meemaken of niet. Mijn vader had alzheimer toen hij stierf. Mijn schoonvader heb ik ook zien dementeren. Ik heb daar geen trek in, maar hoe ontsnap je eraan? Het is een bijster ingewikkelde problematiek. Je kunt in Nederland niet zomaar voor euthanasie kiezen als je al aan het dementeren bent. Het is een duivels dilemma. Wie dement wordt, krijgt aanvankelijk geen euthanasie omdat de arts zegt: u bent niet ziek genoeg, uw lijden is niet ondraaglijk. Maar als je wél ziek genoeg bent, krijg je geen euthanasie omdat je niet meer wilsbekwaam bent. Dat betekent dat je een heel korte periode hebt, een paar maanden, waarin het moet gebeuren. In theorie, want in de praktijk weet je helemaal niet wanneer die tijd aangebroken is. Het verhaal van Thijs en Marja laat zien hoe belachelijk ingewikkeld het is. Thijs hangt er al twee jaar tegenaan. Er zijn momenten waarop Thijs zo ver heen is, dat hij eigenlijk niet meer wilsbekwaam is. Hij is nog altijd niet dood, terwijl hij het in theorie heel graag wil. Alleen niet nu, niet morgen, maar ooit. Je herkent het moment niet als het er is.’

Hugo Claus heeft dat moment gevonden.

‘Ik weet niet hoe ver Claus al heen was. Wat ik ervan weet is dat hij van zichzelf vond dat hij niet meer kon werken en dat dat voor hem het moment was. Ik heb ook gehoord hoe het gegaan is, met liedjes zingen en champagne drinken. Ik kan het niet zeggen. Zonder het te verheerlijken, is de dood van Hugo Claus een soort maatstaf. Dat is hoe het zou moeten: met liefhebbende mensen om je heen, op een moment dat je datgene waarvoor je leeft, echt niet meer kunt. Op een moment dat je zelf kiest. Maar of dat zo ging omdat Claus Claus was, weet ik niet. Kan dat voor de gemiddelde burger ook zo? Ik weet het niet.’