Boeklog over Pistoolvinger

schrijver en journalist

A.IJ. van den Berg op Boeklog

Radio- of televisieprogramma’s waarin een schrijver iets komt vertellen over een nieuw boek interesseren me doorgaans het meeste niet. Zulke items gaan te vaak allereerst over zo’n auteur, en dat is voor mij nu net de minst boeiende invalshoek.

Op deze simpele vuistregel zijn er twee uitzonderingen.

Soms brengt iemand een dusdanig autobiografisch gekleurd werk uit dat hij of zij wel even het belangrijkste element is van zo’n boek.

En daarnaast bestaat er nog het radioprogramma Kunststof, waarin de gesprekken bijna een heel uur duren. Sommige interviews met schrijvers daarin zijn zo sterk, dat me inmiddels duidelijk werd dat ik eerst een hele tijd moet wachten om het boek te gaan lezen dat me door zo’n gesprek is gaan intrigeren.

Sommige interviews vervangen voor mij zelfs het lezen van zo’n boek. Nuttig, omdat ik ze altijd beluister op momenten dat lezen even niet kan.

En het gesprek met Henk Blanken [1959] maakte zo veel indruk dat me zelfs bijstaat waar ik was, toen ik de podcast beluisterde met de Kunststof-uitzending waarin hij langskwam; in het najaar van 2014.

Uitgangspunt van zijn verhaal is dan ook niet misselijk. Blanken was amper 51 toen hij de diagnose kreeg Parkinson te hebben — wat daarmee plots veel verklaarde over de ouderdomskwaaltjes die hem waren gaan kwellen. Het struikelen, het verlies van zijn reuk, de gaten in het geheugen ineens.

En Parkinson is ongeneeslijk; hoogstens kan het verloop van de ziekte met medicijnen worden vertraagd. Bestaat een ander vooruitzicht er uit dat patiënten een grote kans lopen om Alzheimer te krijgen.

Henk Blanken maakte op dat moment deel uit van de hoofdredactie van het Dagblad van het Noorden. Mede om bezuinigingen bij deze krant gaf hij die positie op, om toen op de redactie onderzoeksjournalistiek te belanden.

De diagnose zette hem ook aan tot het schrijven van wat uiteindelijk Pistoolvinger zou worden — dat is een uitgave waarin dat persoonlijke verhaal over ziekte en aftakeling afgewisseld worden met andere autobiografische impressies, en lange stukken die eerder in de krant verschenen.

Voor éen zo’n reportage, over een nog jongere Parkinson-patiënt bij wie in de hersenen elektroden werden ingebracht, om het trillen te kunnen controleren, won Blanken zelfs nog een internationale prijs.

En al zal dit boek niet zulke diepe herinneringen achterlaten als die ene podcast met de schrijver ooit deed. Toch dringt zich nu wel de vraag op waarom boeken als deze, en vergelijkbare uitgaven, waarin een auteur enigszins laconiek over de versnelde aftakeling richting de dood schrijft, me nu even zo intrigeren, en raken.

Zal het mijn leeftijd zijn?

Is het om de troost die zulke schrijvers vonden in het doorgaan met dat schrijven?

Iedereen die schrijft, zal bovendien weleens gemerkt hebben hoe zo’n tekst, en alle stilering daarin, op den duur de werkelijke herinnering gaat vervangen. Bij een auteur van wie de lezer weet dat het geheugen waarschijnlijk helemaal verdwijnen zal, is daarmee de luttelste snipper autobiografie ineens een memento dat wel nooit meer verbeterd zal kunnen worden.