Drs P.

schrijver en journalist

Enkele ogenblikken nadat journalist Henk Blanken hoorde dat hij parkinson had, dacht hij: ‘Maar het is wél een goed verhaal.’ Hij houdt een blog bij over zijn ziekte.

Loes Reijmer in de Volkskrant, 13-04-2013, 00:00

Henk Blanken (53) heeft zijn hele leven gewerkt voor het winnen van De Tegel. Ja, er zijn belangrijkere dingen dan een journalistieke prijs, gebiedt de politieke correctheid hem dan te zeggen. Maar toch. Hij is altijd een streber geweest, wilde gezien en gehoord worden. Niet alleen als schrijvend journalist, maar ook als spreker en auteur van boeken over de toekomst van de journalistiek.

Op 21 maart wint hij met zijn collega’s van het Dagblad van het Noorden en RTV Noord De Tegel in de categorie onderzoek, voor de reconstructie van de Facebookrellen in Haren. Op het podium blijft hij op de achtergrond, hij heeft afgesproken dat een van zijn collega’s het woord doet. Als presentatrice Eva Jinek toch met haar microfoon in de buurt komt, zet hij een stap naar achteren. ‘Het is lullig om op zo’n moment niet uit je woorden te komen’, zegt Blanken nu, drie weken later.

Hij ontvangt in zijn jarendertighuis in het Groningse dorp Haren. De straat, met vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen, ligt in het zogenaamde ‘arme gedeelte’ van het villadorp. De relschoppers lieten deze kant van het spoor links liggen toen ze zes maanden geleden door de straten trokken. Op het platte dak boven de keuken werken drie dakbedekkers in de voorzichtige eerste lentezon. De stevige noordoostenwind zou de geur van het smeltende zwarte materiaal moeten verspreiden, maar Blanken ruikt het niet.

Hij praat snel, een contrast met de verstilde blik die zijn gezicht kan hebben. Vandaag gaat het goed, zegt hij. Op slechte dagen komt hij nauwelijks uit zijn woorden, doordat hij moeite heeft met slikken. Als hij bij het Dagblad van het Noorden op de trap loopt, houdt hij zich goed vast – bang om te struikelen.

Daarmee is het begonnen, met dat struikelen.

In oktober 2010 bezoekt hij samen met zijn zoon Venetië. Ze lopen veel en ja, er wordt ook aardig wat wijn gedronken. Hij is aangeschoten als hij onderuit gaat, maar toch is het raar.

Een paar maanden later begint zijn linkerhand te trillen. Zijn lichaam wordt stijver en stijver. Hij schuifelt, tilt zijn voeten niet goed op. ‘Laat je armen nou gewoon zwaaien tijdens het lopen’, zegt zijn dochter. ‘Dan gaat het vast over.’

Pas de avond voordat hij en zijn vrouw in juni 2011 een afspraak hebben met de neuroloog, zoeken ze op internet. Zijn vrouw vindt een checklist, gewoon op Wikipedia. Hij ruikt niet, toch? En heeft hij niet al jaren een slecht geheugen? Op vrijwel alle symptomen moet Blanken ‘ja’ antwoorden. Een dag later doet hij testjes bij de neuroloog: je hand bewegen zoals je het peertje van een lamp in het plafond draait. Het lukt hem niet.

De neuroloog bevestigt hun vermoeden: hij heeft de ziekte van Parkinson.

Mij mag niets overkomen, ik moet hem helpen als hij hulpbehoevend wordt, schiet het door het hoofd van zijn vrouw Sandra. Hij huilt even, maar de somberheid maakt snel plaats voor een journalistieke sensatie. ‘Ik liep het ziekenhuis uit en dacht: het is ten minste wél een goed verhaal.’

Tien dagen daarvoor heeft hij te horen gekregen dat hij zal moeten stoppen als adjunct-hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden. Vanwege bezuinigingen moet de redactie inkrimpen, de driekoppige hoofdredactie kan daarbij zelf niet buiten schot blijven. De keuze valt op hem: ‘Ik had twee opties: met een goede premie vertrekken, of aanblijven als onderzoeksjournalist. Een week lang heb ik hier in de tuin gebeld met headhunters en mensen uit mijn netwerk. Ik wilde nog een keer ergens hoofdredacteur worden.’

Als hij hoort dat hij parkinson heeft, vallen alle mogelijkheden weg. ‘Ik kon geen freelancer worden, want ik was en blijf te moe om 80 uur per week te werken. Een nieuwe baan zat er ook niet in: chronisch ziek zijn is slecht voor je marktwaarde. Dat zei de neuroloog ook.’

Waar het toekomstperspectief in een klap verdwijnt, maakt de haast in de weken die erop volgen plaats voor rust: rust om echt te kiezen voor onderzoeksjournalistiek, rust om aan de roman te werken die nooit zal afkomen, rust om met zijn vrouw ‘s avonds in de tuin naar de vleermuizen te kijken.

Eigenlijk gaat het beter dan ooit: ‘Ik was niet zo’n geweldige adjunct-hoofdredacteur, op het sociale vlak. Ik ben hard, als Rotterdammer heb ik de neiging dingen nogal hoekig te zeggen. Dat maakt mij niet geschikt voor die kant van de baan.’ Het aspect van het hoofdredacteurschap dat hem wel ligt, denken over de toekomst van de journalistiek, leidde in afgelopen jaren eveneens tot frustratie: ‘De veranderingen die naar mijn idee nodig waren, kreeg ik er bij mijn eigen krant niet door. Daar word je niet gelukkig van.’

Na de diagnose stort hij zich op de onderzoeksjournalistiek, en warempel: het lichaam werkt mee. Door de medicijnen loopt hij weer ontspannen en heeft hij meer energie. Als hij typt, slaat zijn stijve wijsvinger weer gewoon de A in plaats van de S aan. Bovendien weet hij wat hij heeft, na maanden van onzekerheid.

Het zijn de wittebroodsweken van parkinson, zal hij later leren.

Parkinson is een progressieve ziekte: je gaat er niet dood aan, maar het gaat wel steeds slechter. Of, in de woorden van de Rotterdammer Blanken: ‘Je weet dat het lullig afloopt.’ De hersencellen die dopamine produceren, sterven langzaam af. Dat tekort wordt aangevuld met medicijnen. Voldoet de dosis niet meer, dan komen de symptomen terug.

Zoals bij hem, na een half jaar. De dosis wordt verhoogd, waarop er weer een betere periode aanbreekt. Hij besluit zijn blog, waarop hij voor zijn ziekte actief schreef over de toekomst van de journalistiek, weer op te pakken.

Het blijft slechts bij vijf berichten over media. Nee, niet omdat het zo slecht gaat: ‘Ik ontdekte dat schrijven over wat mij overkomt veel leuker is. En dankbaarder. Het is niet sociaal wenselijk om te zeggen, maar ik vind het heerlijk om mooie scènes en zinnen te bouwen uit zo’n ziekte.’

Sindsdien volgt hij de ontwikkeling van zijn ziekte nog minutieuzer. Hij leest de bijsluiter van zijn nieuwe medicijnen, waarin wordt gewaarschuwd voor gokverslaving en hyperseksualiteit, en denkt: ‘Het lijkt wel een Zweedse thriller, hier zit een stukkie in.’

Hij blogt over die ene keer dat hij ‘s avonds in bed hallucineerde. ‘Ik zag zilveren zwaluwen boven me vliegen’, zegt Blanken nu. ‘Ik wist dat patiënten last kunnen krijgen van hallucinaties, maar je schrikt je te pletter. Het enge is dat het geen droom is: je bent wakker, ligt met je ogen open, en je krijgt het niet weg. Ik kan veel relativeren aan mijn ziekte, maar dit niet.’

Zodra hij er taal voor vindt, schrijft hij over zijn nieuwe ervaringen. De blogs zijn eerlijk, bijvoorbeeld over die keer dat hij een Groningse ondernemer interviewt die hem niet serieus neemt. Blanken: ‘Het was ‘s ochtends op een industrieterrein. Ik zat te hannesen met mijn opschrijfboekje, had moeite met schrijven. Mijn gezicht was strakker dan op goede dagen. Ik zag hem naar me kijken, hoorde hem zijn verhaal nog een keer doen, en dacht: deze man neemt mij niet serieus. Hij denkt dat ik een beginner ben, of een charlatan die nog dronken is van een avond zuipen. Heel pijnlijk.’

Hij realiseert zich dat hij zijn manier van werken moet aanpassen: interviews opnemen omdat hij zijn handschrift niet meer kan lezen, en mensen vooraf vertellen dat hij ziek is om te voorkomen dat geïnterviewden hem voor gek aanzien. ‘Je wilt mensen niet met je ziekte lastig vallen. Gek genoeg creëert het meteen een vertrouwensband die voor journalisten handig is, mensen waarderen het dat je zo open bent. Dat is dubbel, want je wilt er geen misbruik van maken.’

Door zijn ziekte is hij een andere journalist geworden, in de positieve zin: kwetsbaarder, minder gehaast, ontvankelijker voor andere mensen. Met dat geneuzel moest je vroeger niet bij hem aankomen. Hij wilde haantjes interviewen, mensen zoals hij. De nieuwe Blanken volgt maandenlang een spiritueel, Drents gezin waarvan de boerderij is afgebrand. Hij wil kijken wat de impact daarvan is op hun leven. ‘Ik heb meer tijd voor andere mensen, en ben meer bezig met mijn zinnen in plaats van het redden van de journalistiek. Zonder enige twijfel schrijf ik beter dan ik ooit heb gedaan.’

Dit zijn de statistieken van parkinson die hij vindt bij het googlen: het duurt gemiddeld acht jaar voordat de patiënt moet stoppen met werken en hulpbehoevend wordt. De neuroloog zegt: ‘Elke patiënt is anders. Sommigen zijn al twintig jaar ziek, maar kunnen nog steeds prima functioneren.’

Blanken is volgens zijn vrouw een raspessimist: op een zonnige lentedag als deze zegt hij dat het morgen vast gaat regenen. Dus hij denkt ook: als de gemiddelde patiënt er acht jaar over doet om hulpbehoevend te worden en sommigen twintig jaar, dan zijn er ook mensen bij wie het veel sneller gaat.

Zelf zou hij het eerder realistisch noemen.

Hij weet dat de kans op dementie groot is: een op de twee parkinsonpatiënten wordt dement. Het zou het slechtste scenario zijn. Dat hij ooit in een rolstoel zal zitten, heeft hij al geaccepteerd. Misschien levert het hem tegen die tijd zelfs nog een goed verhaal op, aangezien het huis niet rolstoelproof is. Maar van de gedachte dat hij het verhaal straks wellicht niet meer zal kunnen schrijven, zou hij bijna weer haast krijgen.

Zijn pessimisme betekent niet dat er ruimte is voor gesomber. Problemen die niet oplosbaar zijn, zijn geen problemen, leerde hij vroeger al van Gerard Krul, oud-hoofdredacteur van Het Vrije Volk.

Toch slaat de toekomst hem op een dag hard in het gezicht. Hij wil een verhaal maken over een relatief nieuwe en onbekende hersenoperatie tegen overbeweeglijkheid, een symptoom van parkinson: deep brain stimulation. Het is een spannende ingreep voor patiënten: zij moeten wakker blijven om te kijken of ze goed reageren op de signalen die twee in de hersenen geplaatste elektrodes afgeven.

Hij is geïnspireerd geraakt door het verhaal Mrs. Kelly’s monster over de operatie van mevrouw Kelly, waarbij een grote tumor wordt verwijderd uit haar hersenen. De Amerikaanse journalist Jon Franklin won er in 1979 een Pulitzerprijs mee.

Blanken benadert het Universitair Medisch Centrum Groningen. Hij zegt dat hij zelf parkinson heeft, en graag een verhaal wil maken over deep brain stimulation. Het UMCG werkt mee, en binnen enkele weken zit hij tegenover Carel Dolman, de drukbewegende patiënt.

‘Het was confronterend, ik had een ander beeld van parkinsonpatiënten. Spastisch heeft een negatieve connotatie, maar overbeweeglijk is te lief voor hoe deze 45-jarige man erbij zat. Hij kon niet stilzitten en was niet meer in staat om te werken. Als hij praatte, bewoog de stoel mee. Hij liet mij zien hoe het mis kan gaan in zeven jaar.’

Blanken volgt Carel en zijn artsen in de periode voor de ingreep. Tijdens de operatie noteert hij van minuut tot minuut wat er gebeurt. Drie maanden later blijkt de overbeweeglijkheid van Carel inderdaad weg, in ieder geval voor een paar jaar.

Eind 2012 publiceert het Dagblad van het Noorden het verhaal Carels Hoofd. Twee weken na de uitreiking van De Tegel, op 7 april, wint Henk Blanken er de Groninger Persprijs mee. ‘Het is een regionale prijs’, zegt hij. ‘Maar ik merk dat het me meer doet dan het winnen van De Tegel. Ik zou dit verhaal nooit hebben geschreven als ik niet ziek was geworden. Dat er toch nog iets positiefs uit te halen is, maakt zo veel goed.’

CARELS HOOFD
Henk Blanken kwam op het idee om Carels Hoofd te schrijven nadat hij Mrs. Kelly’s monster van Jon Franklin, tweevoudig winnaar van de prestigieuze Pulitzerprijs, had gelezen. Franklin beschrijft daarin de hersenoperatie van mevrouw Kelly, die al jaren een grote tumor in haar hoofd heeft. Daardoor is ze gedeeltelijk blind en verlamd. Ze overleeft de operatie niet.
Het verhaal is te lezen op jonfranklin.com.
Carels Hoofd is te lezen op Henkblanken.nl

https://s.vk.nl/s-a3425074/