‘Ik geneer me bijna nergens meer voor’

schrijver en journalist

Greta Riemersma in Vrij Nederland, 10-10-2015

HET EERSTE DAT JOURNALIST HENK BLANKEN dacht na de diagnose Parkinson was niet ‘God wat erg; maar: ‘God wat een goed verhaal.’ Dat verhaal heeft hij nu opgeschreven. ‘Het voelt goed om zo subtiel mogelijk te beschrijven dat je in je broek plast omdat je de knopen niet meer open krijgt,

TOEN HENK BLANKEN (56) IN 2011 VERTELD WERD DAT HIJ DE ZIEKTE VAN PARKINSON HAD, zeiden de artsen tegen hem: ‘Lees er niet te veel over, verdiep je niet in je lot, want daar word je niet vrolijk van.’ Maar hij wilde nou juist alles weten. Hij was journalist, hij had er al meer dan dertig jaar op zitten bij achtereenvolgens Het Vrije Volk, de Volkskrant en het Dagblad van het Noorden. Hij kón niet anders dan over zijn ziekte lezen. ‘En na ongeveer een jaar kreeg ik door dat dementie de meest waarschijnlijke uitkomst is. Je wordt van Parkinson niet alleen invalide en belandt in een rolstoel, het loopt nog wat Iulliger af,’ zegt Blanken, achter een kop koffie in zijn huis in het Groningse Haren. Een Parkinsonpatiënt, leerde hij, heeft twee tot zes keer meer kans op dementie dan iemand zonder die ziekte. Er zijn zelfs onderzoeken die suggereren dat een Parkinsonpatiënt bijna gegarandeerd dement wordt. Inderdaad: geen vooruitzicht om vrolijk van te worden. ‘Joh, leef bij de dag, kijk wat ervan komt,’ probeerde een vriend hem gerust te stellen. Maar opnieuw verdiepte Blanken zich in zijn lot en hij wist één ding: hij wilde niet eindigen als zijn vader en schoonvader, die allebei dementeerden, zijn schoonvader nog het ergst. ‘Die werd opgesloten op een gesloten afdeling, totaal in de war, totaal eenzaam en zo bang als hij maar kon zijn.’

Blanken zou op tijd euthanasie plegen, maar daarbij kwam onmiddellijk de vraag op wanneer je zoiets doet. Wanneer is het verval ver genoeg voortgeschreden dat je zegt: en nu is het afgelopen? Het hield hem zo bezig, dat hij er de plot van maakte in zijn boek Pistoolvinger, dat deze week verschijnt. In de proloog schrijft hij: ‘Wat wil ik straks nog als mijn vrouw mij moet verschonen, als ze mijn brood smeert, het vlees in kleine stukjes snijdt, de fles witte wijn verbergt en mij bemoedigend toespreekt?’ Hij besefte dat het nog jaren kon duren, maar toch. Wanneer zou hij stoppen met leven?

DE GROTE VRAGEN

Pistoolvinger is een verslag van zijn denkproces, waarbij ontmoetingen met andere zieken hem voortdurend confronteren met zijn eigen dilemma. De meesten heeft hij geïnterviewd voor zijn laatste werkgever, het Dagblad van het Noorden, zoals Parkinsonpatiënt Carel, wiens aftakeling al een stuk verder is gevorderd. Carels armen bewegen onophoudelijk en hij plukt aan zijn hals, waardoor sommigen denken dat hij ‘niet goed snik’ is. Blanken volgt Carel tijdens een hersenoperatie die de typerende Parkinsononrust tenminste voor een periode tot bedaren brengt. Meerdere keren spreekt hij ook met Thijs en Marja, een ouder stel, over de Alzheimer van Thijs en het moment waarop de ontluistering zo groot zal zijn dat hij liever dood wil. Blanken praat met boeddhisten en trekt zich terug in een Frans klooster. Met zijn zoon Daniël gaat hij naar de kerstnachtdienst. ‘Ik kan het niet laten,’ zegt hij tegen zijn zoon. ‘Dat nadenken. De grote vragen. Dat krijg je ervan: je maakt de balans op.’

In gedachten keert hij terug naar zijn jeugd, zijn ouders en vrienden van vroeger en hij construeert het verhaal dat er van zijn leven zal overblijven. Op het laatst zegt hij tegen Sandra, zijn vrouw, dat ‘het boek wel dicht mag’ als ‘de plot’ hem ontglipt. Het is nog steeds niet het einde van Pistoolvinger, maar zijn woordkeuze geeft aan hoezeer zijn leven en zijn schrijven de afgelopen jaren met elkaar verweven zijn geraakt. ‘Alles wat ik deed, was mogelijk materiaal voor het boek, als het maar mooie zinnen, mooie scènes opleverde,’ zegt hij. ‘Ik heb zin voor zin geleefd.’

U schrijft dat u volgens een vriend bezig was te zwelgen in de mogelijke afloop van uw ziekte. Zou u dat ook hebben gedaan zonder boek?

‘Dat zullen we niet weten. Ik kan het niet overdoen. Maar ik zit zo in elkaar dat ik vier jaar geleden tot in de kamer van de neuroloog bleef ontkennen dat ik zoiets als Parkinson kon hebben en toen hij het zei, dacht ik niet als eerste: God wat erg. Ik dacht: God wat een goed verhaal.’

Is dat beroepsdeformatie?

‘Tuurlijk is het dat.’

U had kunnen weten dat u Parkinson had, want uw vrouw had op internet de symptomen gevonden.

‘Ja, de dag voordat we bij de arts zaten, las Sandra op Wikipedia wat de tien symptomen van Parkinson waren. Het was tien keer raak.’ 

Waarom ontkende u het zelfs toen nog?

‘Ik zou het niet weten.’ Het is een poos stil. ‘Ja, waarom? Ik weet het niet.’

HIJ ROOK NIETS MEER

Blanken woont aan de rand van Haren in een jarendertighuis met een puntdak, een erker en een tuinpad van grind. Achter het huis lag ooit een aardappelveld, maar dat is allang platgewalst en ingezaaid met gras. Blanken is er net nog met de grasmaaier overheen geweest, waardoor het gazon er keurig gemillimeterd bij ligt. Binnenkort kan hij met de appelboom in het midden van de tuin aan de slag, want de takken zijn zwaar van een rijpe oogst. Voor dit soort dingen heeft hij tijd sinds hij ruim een jaar geleden stopte met werken. Het ging niet meer, hij was te moe.

Zo kwam er een einde aan zijn carrière in de journalistiek, die eind jaren zeventig begon bij het Rotterdamse huis-aan-huisblad De Havenloods en in 1980 goed op stoom kwam bij Het Vrije Volk, destijds de regionale krant in Rotterdam. In 1987 stapte hij over naar de Volkskrant, waar hij werkte bij de kunst-, economie-, media- en internetredactie. In 2003 werd hij adjunct-hoofdredacteur bij het Dagblad van het Noorden, tot hij in 2011 hoorde dat hij uit zijn functie werd ontheven omdat de hoofdredactie, net als de rest van de redactie, moest krimpen.

Hij sloeg druk aan het bellen om ergens anders een baan te vinden, opnieuw in een hoofdredactie. In diezelfde periode bezocht hij de neuroloog, iets waarop zijn collega’s al wel twintig keer hadden aangedrongen. Zij zagen allang dat er iets met hem aan de hand was en ook Sandra en hun twee kinderen begon het op te vallen. Hij slofte en hield tijdens het lopen zijn armen stijf tegen zijn lichaam gedrukt. Hij rook niets meer. Hij was abnormaal moe en kon het werk niet meer aan. Tien dagen na zijn ontslag als adjunct, op 21 juni 2011, kreeg hij de diagnose Parkinson. Toen hoefde hij het bij geen enkele andere krant meer te proberen. Hij bleef bij het Dagblad van het Noorden als onderzoeksjournalist en later begeleidde hij jonge collega’s.

ALS EEN KLAUW

Sinds hij is gestopt met werken gaat het fysiek beter. Natuurlijk, hij heeft Parkinson en dat is zo langzamerhand te zien. Door de ziekte sterven de hersencellen af die dopamine produceren, met als gevolg: spierstijfheid, een verkrampte houding, ongecontroleerde bewegingen. Bij Blanken beperken de mankementen zich tot dusver tot links. Zijn hoofd trekt naar links, zijn linkerschouder doet pijn. Als hij in de keuken koffie zet, wijst hij op zijn linkerbeen, dat constant omhoog trekt, waarna hij het weer bewust op de grond moet zetten. Hij laat zien hoe zijn linkerhand zich als een klauw om een melkpak klemt. ‘Dat doet Parkinson,’ zegt Blanken alsof hij de werking van een nieuwe mixer demonstreert.

Maar verder gaat het beslist niet onaardig. Zó hard is hij de laatste jaren niet achteruit gegaan. Het nietsdoen heeft hem goed gedaan. Hij werkte het afgelopen jaar kalmpjes aan zijn boek, met een gemiddelde oogst van veertig woorden per dag, en nog steeds schrijft hij af en toe. Hij leest, doet de tuin, scharrelt wat in en om het huis met zijn vrouw en kinderen. Veel meer zit er niet in, want bijna alles bezorgt hem stress. Na anderhalf uur op een feestje denkt hij: ik kán niet meer, ik moet weg. Tijdens lange gesprekken raakt hij het overzicht kwijt. Ook dit interview is even een hindernisje, zegt hij, maar hij wil het per se doen, omdat hij een verhaal te vertellen heeft.

Toen hij zich verdiepte in de afloop van zijn leven, ontdekte hij iets waarvan hij niet op de hoogte was: dat het voor een demente vrijwel onmogelijk is euthanasie te plegen. Ook minister Schippers is erachter, zij stelde in 2013 een werkgroep in die een ‘handreiking’ over de kwestie moet opstellen – die er nog steeds niet is. Blanken schetst het probleem. Wie beginnend dement is, krijgt van een arts op een euthanasieverzoek doorgaans te horen: ‘U lijdt niet ondraaglijk genoeg, ik kan u niet helpen, u moet verder zijn in uw ziekteproces.’ Maar áls de patiënt dan verder is, en volkomen dement is, luidt het antwoord: ‘U lijdt weliswaar ondraaglijk, maar u bent niet meer wilsbekwaam. Sorry, ik kan u niet helpen.’

Kortom: bijna geen demente in Nederland krijgt euthanasie?

‘Van de 250.000 dementen in Nederland krijgt maar een handvol wat ze bijna allemaal graag willen, namelijk een goede dood. Ik heb het uitgezocht: in 2014 hebben 97 mensen in een vroeg stadium van dementie euthanasie gekregen en in de jaren ervoor nog minder. Bijna niemand dus. De euthanasiewet stamt uit 2002, het is toch te idioot voor woorden dat hij al dertien jaar op grote schaal niet wordt uitgevoerd?’

Een bijkomend probleem, las ik in uw boek, is dat dementen steeds meer ontkennen dat ze dement zijn naarmate de ziekte vordert. U vergelijkt het met de alcoholist die ontkent dat hij alcoholist is.

‘Ja, die vergelijking drong zich nogal op toen ik begin dit jaar tot de conclusie kwam dat ik wat te veel zoop.’

Een fles per dag toch?

‘Een fles wijn per dag, laten we niet overdrijven. Maar het moest wel een literfles wijn zijn, anders was het niet genoeg. Ik heb gebeld met de Jellinekkliniek en toen hoorde ik mezelf zeggen: “Ik drink meneer, maar niet zo erg.” Toen heb ik veertig dagen überhaupt niets gedronken, maar waar het me om gaat: ik gebruikte precies de woorden die Thijs, de Alzheimerpatiënt die ik interviewde, altijd gebruikt: “Ik ben wel ziek, maar niet zo erg.” Het gevolg is dat iemand met dementie óók ontkent dat hij aanvankelijk misschien allang dood had gewild.’

Wat is de oplossing?

‘Je zou kunnen zeggen: kijk naar het individuele geval. Sta hulp bij zelfdoding toe. Geef Marja, de vrouw van Thijs, de wettelijke ruimte en garandeer dat ze niet wordt vervolgd als ze Thijs helpt sterven op het moment dat zij denkt dat de grens is bereikt.’

Dan voert Marja dus de oorspronkelijke wens van Thijs uit.

‘Ja, maar ik kan me heel goed verplaatsen in artsen die zeggen: dat is een wandaad, ik weiger. Ik kan me voorstellen dat het fundamenteel fout voelt: ’s ochtends maakt een demente nog een wandelingetje en ’s middags geef je hem met een smoes een slaapmiddel om te voorkomen dat je moet uitleggen wat de patiënt toch niet meer begrijpt, namelijk dat hij gaat sterven. Dat is móórd. Mensen die gaan dementeren zeggen vaak dat ze op een waardige manier aan hun einde willen komen, maar aan die situatie is niets waardigs.’

Wat verwacht u dan van de werkgroep die Schippers heeft ingesteld?

‘Het zou me geweldig verbazen als die met een oplossing komt waarmee iedereen kan leven. Hooguit kan er het voorstel uitkomen om de normen wat te verruimen, zodat we eerder kunnen spreken van ondraaglijk lijden bij beginnende dementie. Misschien kunnen we het ook aan de andere kant wat oprekken, zodat er nog sprake is van wilsbekwaamheid als de dementie al enigszins gevorderd is. Maar het zal altijd pragmatisch en nooit principieel worden opgelost. Er valt niet te middelen tussen dood en leven. Je verleent euthanasie of niet, patiënt gaat dood of niet.’

Bent u nou constant bezig met de vraag: word ik dement? Is het al aan de gang?

‘Er zijn de afgelopen jaren momenten geweest waarop ik daar bang voor was.’

In uw boek zegt u dat u al dertig jaar een slecht geheugen hebt.

‘Als ik niet ziek was geworden, zou ik er niet over tobben. Ik zou denken: ik ben vergeetachtig, zoals wel meer mensen op mijn leeftijd. Maar in mijn omstandigheden maak ik me er wat meer zorgen over.’

U zet niet uw pantoffels in de koelkast en dat soort gekkigheid?

‘Nee, nee. Ik loop wel elke dag te dralen in de keuken: wat ging ik ook alweer pakken. Maar sinds ik niet meer werk, gaat het ook in dit opzicht beter met me.’

U heeft dementie van dichtbij meegemaakt, heeft u wel eens gedacht: ook in dementie zit schoonheid? Ook dan kan iemand gelukkig zijn?

‘Ik ben me bewust van de grote woorden, maar ja: ook in lijden schuilt schoonheid. Alleen niet zoveel als wij denken, niet zoveel als iedereen die gelooft dat dementen gelukkige gekken zijn. Ik geloof wat de deskundigen zeggen: dat er bij dementen veel vaker sprake is van fysieke pijn dan we denken, domweg omdat ze niet meer kunnen aangeven hoe ze zich voelen. Daarom denk ik ook dat hun angst en eenzaamheid pijnlijker is. Er is niks moois aan dementie, er is niks moois aan Parkinson. Volgens een ranglijst met ziekten die de meeste invloed hebben op de kwaliteit van leven staan dementie, slokdarmkanker en Parkinson op nummer één, twee en drie.’

Toch zoekt u in uw boek de schoonheid in uw ziekte.

‘Ja, ik heb sterk de neiging om poëzie en troost te zoeken in wat me overkomt. Ik heb het domme geluk dat ik erover kan schrijven. Kijk, bijna alle Parkinsonpatiënten hebben gek genoeg een euforische periode nadat ze de diagnose krijgen. Je bent ontzettend opgelucht omdat je eindelijk weet wat er aan de hand is. De tijd ervóór, die bij mij negen maanden duurde, is zo zwaar, zo lullig.’

U ontkende dat er iets aan de hand was, dan kun je toch prima verder leven?

‘Ik ontkende tot op het laatst dat ik Parkinson had. Maar ik wist wel dat ik ziek was. En als je dan hoort wat het probleem is en pillen krijgt die de eerste ellende onderdrukken, word je euforisch. Ik kon weer goed lopen, ik kon zelfs weer even squashen. Veel Parkinsonpatiënten worden na verloop van tijd bitter, maar ik bleef euforisch en dat zal iets te maken hebben met het schrijven, met mijn boek. Ik had een geweldig onderwerp in handen. Ik had een uitlaatklep. Als in die ziekte zelf al geen schoonheid schuilt, dan toch hopelijk wel in het boek dat ik erover heb gemaakt.’

Dat snap ik, er ligt nu een mooi boek. Maar schuilt in het verval zélf ook schoonheid?

‘Om te beginnen geloof ik dat je het lijden moet accepteren als je het leven ten volle wilt leven. Maar waarom dat mooi is?’

Hij pakt een boek van de Nederlandse kunstschilder Sam Drukker en bladert door naar een schilderij met vier oudere, naakte vrouwen erop. Ze zijn nog een stuk grover neergezet dan Van Goghs Aardappeleters, maar Blanken vindt ze prachtig. ‘Dit is de schoonheid van de aftakeling,’ zegt hij. ‘Dit laat zien hoe je als vrouw kunt verleppen, hoe alles gaat hangen, hoe de oorspronkelijke schoonheid verdwijnt. Maar er komt wat voor in de plaats. Er gaat een enorme kracht van die vrouwen uit, een enorm zelfbewustzijn.’

Opnieuw is er kunst gemaakt van verval, dan snap ik de schoonheid wel. Maar wat is er nou mooi aan het verval zelf?

‘Als je de schoonheid niet ziet, maak je er geen kunst van. Het is niet pas mooi als het kunst is.’

Moet je eerst ernstig ziek zijn om het zo te zien? Of dacht u dit daarvoor ook al?

‘Ik weet niet hoe ik er voor de Parkinson over dacht. Ik dacht er toen denk ik niet over – afgezien van de vertedering die iedereen voelt wanneer hij een roestige oude Saab ziet staan.’

In principe kijkt u ongetwijfeld liever naar een vrouw van twintig dan van vijftig.

‘Ja. En om die parallel door te trekken: mijn situatie is nu zo dat die vrouw van twintig er niet meer is. Nou moet Sandra dit vooral niet verkeerd begrijpen – ik heb het over mezelf. Ik ben geen twintig meer. En God, dan kun je bij de pakken neerzitten of de situatie accepteren en proberen er nog iets uit te halen. Zodra ik merkte dat die ziekte mij aanzette tot schrijven, ben ik die kant opgegaan.’

Met de verhalen die u vervolgens voor het ‘Dagblad van het Noorden’ maakte, heeft u aardig wat journalistieke prijzen gewonnen. Zelfs een Tegel, toch de Oscar in ons vak.

‘Ja, dat was bizar. Ik heb de laatste drie jaar meer prijzen gekregen dan in de dertig jaar ervoor.’

Zijn ambitie begon bij zijn vader, op wie hij beslist niet wilde lijken. Zijn vader was een ambtenaar in Rotterdam die toezag op de huurprijzen van woningwetwoningen. Een typische ‘jarenvijftigvader’, in die zin: ‘Burgerlijk, bangelijk, ambitieloos. Denk aan De avonden van Gerard Reve, die sfeer,’ zegt Blanken. Ze voerden geen gesprekken, raakten elkaar niet aan. In Pistoolvinger verklaart hij zijn vaders teruggetrokken aard uit de oorlog. Hij maakte het bombardement op Rotterdam mee, zat in Duitse werkkampen en wandelde de dag na het bombardement op Dresden tussen de smeulende lijken.

Ze woonden in Rotterdam-Zuid: vader en moeder, drie dochters en hij, hun enige zoon Henk. Op foto’s uit de begintijd van zijn ouders huwelijk spatte de vrolijkheid er vanaf, maar daar bleef weinig van over. Toen zijn vader niet lang na zijn pensioen in de war begon te raken, verzorgde zijn vrouw hem uit medelijden. ‘Mijn ouders hielden op het laatst niet meer van elkaar, om het netjes te zeggen, en dat leek me verschrikkelijk. Het leek me verschrikkelijk om verzorgd te worden uit medelijden. Het leek me verschrikkelijk om een meelijwekkende man te zijn.’

Welbewust nam Blanken zich voor dat hij het anders ging doen. ‘Ik wilde niet zo bang zijn en zo vast zitten als mijn vader, zo klein zijn, zo weinig gewaardeerd worden.’

Vanaf het moment dat hij ontdekte dat hij een stuk kon schrijven, probeerde hij zich ermee te onderscheiden. Al bij De Havenloods interviewde hij schrijvers en dichters als Bob den Uyl, Levi Weemoedt en Cees Buddingh. Hij bewonderde journalisten als Gerard van Westerloo, Martin Schouten en Geert Mak, die de werkelijkheid beschreven met de technieken van een roman. Hij wilde minstens zo goed worden. Applaus wilde hij, lof, prijzen.

Hij was altijd aan het werk. Toen zijn zoon Daniël in 1991 werd geboren, vertrok hij tien dagen later voor vijf weken naar de Verenigde Staten. De Volkskrant vond dat er een reportage moest komen uit Mexico en daarna een interview uit Boston. En toen hij thuiskwam vertrok hij na een halve dag naar de Frankfurter Buchmesse. Dat vond Sandra ‘niet heel leuk’. Later zouden ook Daniël en Nina, zijn dochter, hem kwalijk nemen dat hij er bijna nooit voor hen was. Gaandeweg kwam hij in het management terecht, nadat hij midden jaren negentig in de gaten kreeg dat de journalistiek grote veranderingen ging ondergaan. Bij de Volkskrant schreef hij over internet, waarna hoofdredacteur Pieter Broertjes tegen hem zei: ‘Waarom ga je het zelf niet doen?’ Zo werd hij in 1999 chef van de internetredactie en voorspelde hij in 2001 het einde van de papieren krant. Half journalistiek Nederland viel over hem heen, columnist Henk Hofland sprak van ‘volstrekte waanzin’. In 2003 vertrok hij naar het Dagblad van het Noorden, waar hij zich als adjunct – tevergeefs – inspande om een multimediale krant te laten ontstaan.

Journalisten zijn volgens Blanken aartsconservatief, weliswaar uit liefde voor hun vak, maar toch: aartsconservatief. O, hij ziet genoeg veelbelovende nieuwe initiatieven, maar een echt nieuw verdienmodel in de journalistiek heeft hij nog niet voorbij zien komen. Al tien jaar lang roept hij dat journalisten in elk geval dit moeten proberen: betere verhalen vertellen en die verhalen beter vertellen. Het is de kern van het Handboek verhalende journalistiek dat hij vorig jaar schreef met oud-collega Wim de Jong. Zelfs in Pistoolvinger somt hij de kenmerken op van een goed narratief verhaal: het moet een kop en een staart hebben, het moet gaan over een held, zijn demonen en zijn zoektocht, en er moet een ontknoping zijn. Het is niet heel moeilijk te zien dat hij in Pistoolvinger zijn eigen voorschriften heeft nageleefd.

U bent de afgelopen jaren totaal veranderd, valt te lezen in uw boek.

‘Ik herinner me dat Sandra en ik, toen we op 21 juni 2011 terugkwamen van de neuroloog, in de tuin zijn gaan zitten.’ Vanuit de woonkamer wijst hij naar de lap grond achter zijn huis, het voormalige aardappelveld. Daar zaten ze, op twee campingstoelen, kijkend naar de lucht waarin onweerswolken dichterbij dreven. ‘We hebben het gehad over wat ons te wachten stond. We zijn vier uur blijven zitten. Dat zou ik daarvoor nooit hebben gedaan.’

Vier uur naast uw vrouw in de tuin zitten, dat was uniek?

Hij moet lachen. ‘Ja, dat was nooit eerder voorgekomen.’

Onmiddellijk was de haast over, schrijft u.

‘Precies.’

U bent opener en eerlijker geworden. U erkent dat u vroeger nogal bot kon zijn en begrijpt daarom dat u als adjunct moest vertrekken toen de hoofdredactie van het ‘Dagblad van het Noorden’ moest krimpen.

‘Ik was geen mensenmens. Ik was niet in staat empathisch te zijn, daar was ik te onhandig voor. Ja, natuurlijk ben ik veranderd, vrij radicaal zelfs.’

U constateert dat u beter bent gaan schrijven.

‘Gretiger vooral.’

Waardoor komt dat?

‘Ik ben ontvankelijker voor mensen. Ik ben beter gaan luisteren, mezelf minder belangrijk gaan vinden, aardiger geworden, andere gesprekken gaan voeren. Vroeger zou ik mijn neus ophalen voor de verhalen die ik heb geschreven over de hersenoperatie van Carel en de dementie van Thijs. Ik vond de teloorgang van Fokker veel belangrijker. Maar ik hecht niet meer zo aan kortetermijnsucces.’

Maakt dat u tot een betere journalist?

‘Tuurlijk. Als het allemaal niet meer zo snel hoeft, als je de tijd krijgt weken, soms maanden aan een verhaal te werken, wordt het beter. Mijn ontvankelijkheid voor taal is groter dan ooit. En wat misschien nog belangrijker is: ik ben schaamtelozer geworden. Ik geneer me bijna nergens meer voor en dat is een verlichtend gevoel. Het voelt goed om zo subtiel mogelijk te beschrijven dat je in je broek plast omdat je de knopen niet meer open krijgt.’

U bent een heleboel conventies voorbij.

‘Het verlies aan decorum is natuurlijk wat me nogal bezighoudt. Het is me afgelopen week nog een keer overkomen, de derde keer al. Dat is heftig hoor. Over zulke dingen kun je makkelijker schrijven als je ze mooi vertelt, als je zegt dat je jezelf benat en dat verpakt in een scène die werkt, die een functie heeft en het verhaal vooruit helpt.’

Toen het niet meer zo nodig hoefde, kwamen de prijzen die u vroeger graag wilde hebben, onder andere voor het verhaal over Carels hersenoperatie.

‘Dat is precies zoals boeddhisten zeggen hoe het werkt. Als je het loslaat, komt het.’

Vroeger vond u dit holistische apekool, schrijft u.

‘Dat gold niet per se voor het boeddhisme, maar voor het mantra: leef bij de dag.’

En nu omhelst u dat?

‘Dat klopt.’

U bent meer dan dertig jaar ontzettend actief geweest in de journalistiek, mist u dat leven?

‘Nee. Natuurlijk jeuken mijn vingers als ik een goed idee zie langskomen, maar ik wil er niet in blijven hangen. Dat is een keuze: ik wil niet meer missen, omdat je daarmee niets bereikt.’

Denkt u wel eens: goh, waarom was er een ziekte voor nodig om tot al deze inzichten te komen?

‘Natuurlijk heb ik mezelf afgevraagd of ik het vroeger anders had moeten doen, maar nee, dat vind ik niet. Ik heb geen spijt van hoe mijn leven is gelopen. Het zou mij passen er enige spijt van te hebben, want ik heb mijn gezin nogal wat aangedaan met al dat streven en werken. Maar ik heb geen spijt, want dat zou klinken alsof de man die ik was me is overkomen, alsof het een ongelukje was, al dat werken. En dat was het niet, het was een bewuste keuze. Ik heb het maar te accepteren. En ik ben er nu elke dag voor mijn vrouw en kinderen, hè?’

Hij wil iets zeggen waarover hij lang heeft gedacht, maar hij begint te huilen en loopt naar de keuken voor een glas water. ‘Dit kost me moeite,’ zegt hij als hij terugkomt. Hij begint te vertellen met nog meer onderbrekingen – sorry, het is de Parkinson, verontschuldigt hij zich. Hij schiet tegenwoordig al vol als hij in zijn tuin een berkentakje op sneeuw ziet liggen, zelfs bij een reclameposter voor een Samsungtelefoon overkwam het hem – geen idee meer wat erop stond. Nou goed. Hij wil niet de ontknoping van Pistoolvinger prijsgeven, maar hij wil wel graag kwijt wat hij óók wil bereiken met zijn boek. Hij wil aan zijn kinderen meegeven dat zelfs een leven met Parkinson de moeite waard kan zijn. En mócht hij dement worden en beslissen dat hij op tijd uit het leven stapt, dan hoopt hij dat ze zullen begrijpen dat hij het doet uit rijkdom.

‘Ik denk dat ik zal denken: het is goed geweest, ik heb een geweldig leven gehad, ik ben een gelukkig mens. Ik hoop dat mijn kinderen dat ook zo zien.’

Natuurlijk, hij moet uitkijken dat hij niet bang wordt voor wat er nog komt. Maar er is altijd troost. Hij sprak een Parkinsonpatiënt die zo ernstig van hoofd tot voeten schudde dat hij zwaar spastisch was – en zelfs die zei tegen hem: ‘Het zal je verbazen, Henk, maar ook dit is te doen.’