Een long read in The Guardian

Begin 2018 leverde ik de herschreven en uitgebreide versie in van Pistoolvinger bij mijn uitgever Atlas Contact. Redacteur Emile Brugman vond dat die non-fictieroman meer lezers verdiende. Omdat ik het daar van harte mee eens was, besloot ik dat er nu ook een Engelse vertaling moest komen van dat nieuwe boek, Je gaat er niet dood aan.

Geen Britse of Amerikaanse uitgever ziet je staan, als auteur van een nogal geprezen en zelfs in het Duits verschenen, maar helaas niet breed opgemerkt en niet geweldig goed verkocht boek, een boek dat ook nog eens in een niemandsland terecht gekomen was tussen afgebakende genres als de literaire roman en medische non-fictie.

Ik had een bruggenhoofd nodig. Het slot van mijn nieuwe boek draait om de vraag hoe ik wil sterven mocht ik als parkinsonpatiënt ook nog gaan dementeren. Over de dilemma’s rond euthanasie bij dementie wilde ik aanvankelijk een ander boek maken, maar dat werd niet wat ik ervan verwachtte.

De afgelopen jaren had ik wel zo ongeveer alles over het onderwerp gelezen en er verscheidene mensen over gesproken. Bovendien liep ik sinds de zomer van vorig jaar rond met een idee dat iets van mij moest – mijn dood is niet van mij.

Onder die titel begon ik aan een polemisch verhaal, bedoeld voor de Engelse of Amerikaanse lezer. De Nederlandse euthanasiewet is niet half zo liberaal als iedereen denkt, duizenden demente patiënten staan daardoor in de kou en dat lossen we alleen op als je je zelfbeschikkingsrecht kunt delegeren.

Ik vroeg rond om te peilen of ik mijn verhaal van 6000 woorden ergens zou kunnen slijten. Liefst in The Newyorker – waarom niet. Maar The Guardian zou ook mooi zijn. Die progressieve krant is met zijn gratis toegankelijke website internationaal een van de grootste en belangrijkste podia.

Toen zowat iedereen me had uitgelegd dat je als onbekende Nederlandse auteur kansloos was bij The Newyorker en The Guardian besloot ik de Nederlandse versie aan te bieden bij De Groene Amsterdammer.

Nog nooit in De Groene gestaan. En ik kende er een paar aardige collega’s. Als ik het moet inkorten… geen probleem, zei ik nog.

Niets daarvan, zei De Groene. Het opinieweekblad publiceert zowat als laatste in Nederland nog heel lange stukken. En ze vonden het een heel mooi verhaal dat het goed zou doen als essay. Ook op de cover.

Een week voordat De Groene verscheen, het was inmiddels 20 juni, besloot ik mijn inmiddels – door Nephtalie Demei, een vriendin op Curacao – prachtig vertaalde stuk blind in te sturen. Geadresseerd aan de hoofdredacteur van The Guardian Long Read, wiens naam ik had gevonden op de website.

Het was een alles-of-niets pitch.

Toen werd het stil.

Ik stelde me het bureau van een redacteur bij The Guardian voor. Links en rechts torenhoge stapels verhalen die hij nog moet lezen, geschreven door niet eens zo onbekende journalisten in alle delen van de wereld. Ik lig niet op die stapels.

Onder zijn bureau een stoffige berg nog ongeopende poststukken en een dikke map met ongevraagde pitches. Als hij tijd heeft – wat hij nooit heeft – zal de redacteur bedankt-briefjes schrijven. De voorstellen hoeft hij niet te lezen om te weten dat ze kansloos zijn.

Ik lig ook niet op dát kerkhof van goede bedoelingen, gefnuikte ambities en kansloze pitches. Want ergens heeft de Guardian-redacteur nog een e-mailmapje voor ‘wereldvreemde idioten’, de soort die in de evolutie van de journalistiek al lang uitgestorven had moeten zijn: de romantici die eerst een stuk waarom niemand heeft gevraagd schrijven, in een taal die ze onvoldoende machtig zijn, over een probleem dat hooguit een handvol lezers interesseert.

De redacteur heeft een zwak voor romantici. En soms zit er wel degelijk iets tussen. Eén keer per jaar. Of nee, zelfs dat niet.

Na zeven weken vist hij mijn emailtje uit het mapje. En stuurt me een bericht waarvan de strekking is dat mijn verhaal a very powerful essay is. ‘We love to run it in The Guardian Long Read.’