Schrijver en oud-journalist Henk Blanken: ‘Mijn dood is niet van mij’

13 januari 2019 Interviews 0

Voor Henk Blanken is er geen weg terug. Hij heeft Parkinson. Over ‘de schoonheid van het verval’ schrijft hij verhalen die internationaal worden geprezen. Het antwoord op de zin van zijn leven is aan anderen, zegt hij tegen Fokke Obbema.

Fokke Obbema in de Volkskrant, 13.1.19

‘Het leven lacht me toe.’ Henk Blanken beschikt nog maar over een kwart van de energie die hij vroeger had. Praten gaat soms moeilijk, lopen doet hij vaak met een stok. De pijn die hij heeft, bestrijdt hij met zo’n tweehonderd pillen per week. Blanken heeft Parkinson, de kans dat hij dement wordt, is 50 procent. Toch constateert de schrijver en oud-journalist dat het lot hem gunstig gezind is, dat hij ‘gelukkiger is dan ooit’ – uitgesproken op zachte toon, zonder zijn vroegere bravoure.

Bijna acht jaar geleden, op 51-jarige leeftijd, kreeg hij te horen dat hij de ziekte van Parkinson had – een geleidelijk afsterven van de zenuwcellen, met invaliditeit en mogelijk dementie als consequenties. Sindsdien heeft hij zijn leven een nieuwe wending gegeven. Vóór zijn ziekte was hij ­bovenal een hardwerkende journalist met een gouden pennetje, onder meer werkzaam bij de Volkskrant. Daar leerde ik hem kennen als ambi­tieus, onrustig, geestig en eigenzinnig. Blanken was de expert ‘nieuwe media’ en ‘digitale snelweg’ – zijn verhalen over internet waren hun tijd (te) ver vooruit. Hij vertrok naar Groningen, waar hij bij het Dagblad van het Noorden naar eigen zeggen ‘geen geweldig goede adjunct-hoofdredacteur’ was. Tot een neuroloog zijn ziekte vaststelde en het doek viel over zijn bestaan als man van het nieuws. Sindsdien heeft hij de tijd om te lezen, te denken en vooral te schrijven.

Over zijn ziekte publiceerde hij in 2015 zijn aangrijpende ‘non-fictie roman’ ­Pistoolvinger die in het Duits is vertaald en het afgelopen jaar een uitgebreide heruitgave kreeg met Je gaat er niet dood aan. Voor de Correspondent is hij werkzaam als ‘correspondent Dood&Aftakeling’, waarmee hij wil doorgaan ‘tot het einde’. Maatschappelijk voert hij een ‘eenmansguerrilla’ voor wijziging van het strafrecht. Want zijn familieleden moeten het recht krijgen zijn moment van ­euthanasie te bepalen, mocht hij ­dement worden: ‘Mijn dood is niet van mij.’

Wat is de zin van ons leven?
‘Er zijn drie vragen waar de mens altijd mee bezig is: hoe is alles begonnen, waar gaat het naartoe en waarom? De laatste is die naar de zin van het leven. Filosofen worstelen er al vijfduizend jaar mee. Ik zie het als een zinloze vraag, omdat alle andere antwoorden dan hetgene dat je geeft, ook goed zijn. Het is net zo zinloos als delen door nul, waarvan we hebben afgesproken dat het niet kan. Tegelijkertijd is het de tragiek van de mens dat hij met de zinvraag bezig blijft, omdat hij een grote behoefte heeft aan zeker weten. Hij kan niet leven met het feit dat hij doodgaat, met de tijdelijkheid van zijn bestaan, terwijl de tijd en ruimte om hem heen niets anders dan oneindigheid suggereren. Met onzekerheid kan hij slecht uit de voeten. De mens is bang voor de leegte, het niets, de witte plek op de muur.’

Kan God uitkomst bieden?
‘God biedt antwoord op die drie filosofische vragen, zeker, maar eerlijk gezegd lijkt het me onwaarschijnlijk dat hij bestaat. Zelf mis ik in ieder geval het talent om te geloven. Na ruim veertig jaar ging ik een keer met Kerstmis naar een kerkdienst, samen met mijn zoon. Ik werd diep geroerd door een psalm. Ik voelde de intensiteit, het puur kinderlijke geluk dat geloof teweeg kan brengen. ‘Stil maar, wacht maar, alles komt goed’, dan ben je weer even kind, veilig, opgenomen in een gemeenschap. Even is er niets dat je bedreigt. Ik zag de schoonheid, de troost ook die het geloof kan bieden. Maar toen ik na afloop naar mijn auto liep, dacht ik: ‘Nu weer normaal doen.’ Ik ben te rationeel om te kunnen geloven.

‘Het enige dat in mijn ogen voor het bestaan van God pleit is dat zo veel mensen in hem geloven, ook ­onafhankelijk van elkaar. Gezien die miljarden durf ik niet mijn laatste geld eronder te verwedden dat ik gelijk heb. Maar ik denk al sinds mijn ­puberteit dat het de mens is die God heeft geschapen en niet andersom. Uit pure noodzaak, omdat hij niet langer tegen die leegte, die witte plek op de muur, aan wil kijken. En omdat het hem evolutionair voordeel biedt, zoals ik in Sapiens van Yuval Noah Harari las. De mens is niet gebouwd op groepen van meer dan honderdvijftig soortgenoten. Als dat dan toch moet, gebruikt hij mythes, zoals God en de natie.’

Als God geen antwoord biedt, hoe verhoud je je dan tot die leegte?
‘Persoonlijk heb ik niet zoveel moeite met de eindigheid van het bestaan. Acceptatie is voor mij het sleutelwoord. Accepteren dat er op de hoofdvragen van het bestaan geen antwoorden zijn, accepteren dat je de mens bent die je geworden bent, dat je het niet anders gekund had. Cees Nooteboom schreef in een gedicht: ‘Ik had duizend levens en nam er een.’ Je hebt oneindig veel mogelijkheden gehad, je hebt er een gekozen. Het kost me geen enkele moeite te aanvaarden dat dat zo is. Dat geldt ook voor mijn ziekte. Ik ben in die afgelopen acht jaar nog niet een dag kwaad geweest. Ik heb me niet een keer afgevraagd: waarom ik? Het accepteren van je lot leidt ertoe dat je je energie niet zinloos besteedt en maakt dat je veel dingen kunt doen.’

In je boek omschreef je de eerste tijd als patiënt zelfs als een fase van kalverliefde.
‘Dat was het ook. Letterlijk van de ene op de andere dag was ik een man zonder haast geworden. Ik kon samen met mijn vrouw vier uur lang naar de ondergaande zon kijken. Waarom niet? Ik had geen enkele reden meer om op te staan en aan het werk te gaan. Inmiddels ben ik bijna acht jaar ziek en heb er misschien nog acht te gaan, voordat ik echt ga afbladderen en invalide word. Ik heb het er maar mee te doen.’

Hoe beoordeel je je leven tot dusver?
‘Nietzsche heeft een soort test ­bedacht voor je geluksgevoel. Stel dat je het leven over mocht doen, maar dan wel precies zoals het tot nu toe is verlopen, dus met alle liefdes en mislukkingen, alle hoogtepunten en dieptepunten, zou je dat dan willen? Als je daar ronduit ‘ja’ op zegt, bereik je wat hij amor fati noemde, de aanvaarding van je lot. Ik zeg daar duizend keer ‘ja’ op. Ook al ben ik met al die haast van me, met mijn egocentrische ambitie, geen al te aardig mens geweest voor mijn omgeving. Mijn vrienden waren collega’s, het ging met hen vrijwel altijd over werk. Ik was niet al te trouw in mijn huwelijk. En ik was vooral geen al te geweldige vader voor mijn kinderen – ze hebben me verweten dat ik er nooit was. De laatste jaren heb ik geprobeerd iets goed te maken. Maar spijt heb ik niet. Dan is het net alsof ik anders had kunnen zijn, alsof ik niet de man ben die ik ben, alsof het me een beetje over­komen is. Maar ik heb dat leven van mij met mijn volle verstand geleefd en zou het niet anders hebben willen of kunnen doen.

‘Door mijn ziekte heb ik door­gekregen dat ik een raar soort egoïst ben geweest. Toen ik dat constateerde, bedacht ik ook dat Nietzsche eigenlijk niet de goede vraag stelde. Die is niet of je zelf het een goed idee vindt, maar: vinden de anderen het een goed idee dat je terugkeert om hetzelfde leven te leiden? Het gaat om het geluk van de ander, dat is een ­gedachte van de laatste jaren – dat begint bij mij steeds meer post te vatten.’

Is de literatuur, het schrijven, de zin van je leven geworden?
‘Ja. Punt. Toen ik in die spreekkamer van de neuroloog zat en te horen kreeg ‘Je bent ongeneeslijk ziek en je zult invalide worden’, realiseerde ik me meteen: dit is mooi materiaal voor een boek. Ik ben een aantal ­keren van mijn fiets gevallen en dan kan ik het niet helpen te denken: ‘Hoe ga ik deze buiteling opschrijven?’ Als ik me dan details herinner dan is zo’n val fijn. Het verzacht de landing niet, ik heb viermaal een rib gekneusd, maar er zit schoonheid in het lijden. De ondertitel van Pistoolvinger bevat de notie van ‘de schoonheid van het verval’. Denk aan de herfst of een oude Citroën DS die bijna uit elkaar valt. Aftakelen met al zijn kwetsbaarheid wordt kunst als je het mooi opschrijft. Vandaar dat ik graag over dood en aftakeling schrijf. In mijn ervaring moet je lijden intens beleven, wil je ook de toppen in het leven kunnen ervaren.’

Nadeel is wel dat je altijd met je ziekte bezig bent.
‘Ja, maar toch ga ik ermee door. Dat heeft te maken met mijn missie, een beter lot voor diep dementen en hun familieleden. Het gaat in alle debatten over euthanasie en dementie veel te weinig over die naasten. Mijn basisgedachte is: ‘Mijn dood is niet van mij.’ Ik ben er niet bang voor, ik weet niet wat dood-zijn is en zal het nooit weten, waarom zou ik me er dan druk over maken? Of over mijn half-dood die dementie is? Ik ben het niet die straks in een luier rondloopt, dat heeft alleen nog betekenis voor mijn naasten. Dan laat ik het graag aan hen om over mijn dood te beslissen. Ik heb in dat debat nog meer te doen. En verder vind ik het als schrijver een fantastisch onderwerp. Een oud-collega zei me eens: ‘Je verhaal wordt ­beter, naarmate het slechter met je gaat.’

‘Zo lang ik kan lezen, denken en schrijven, gaat het goed. Ik schrijf elke dag. De krankzinnige paradox is dat ik meer tijd voor schrijven heb sinds ik te horen kreeg dat mijn tijd beperkt is. Tien jaar kreeg ik, dat voelde als lang. Ik ben al twintig jaar met een roman bezig, versie tachtig, maar dat is zo verdomd moeilijk. Schrijven is voor mij het ultieme geluk. Dan heb ik het niet over het applaus, al is het kicken om als eerste Nederlander tot The Guardian Long Read door te dringen. Maar het gaat me vooral om het formuleren, het slijpen aan een zin. Soms komt die me zo maar aanwaaien, dat is zo fantastisch mooi.’

Was je toch niet liever gezond ­gebleven, zonder de ellende van Parkinson, dan de zieke schrijver die je nu bent?
‘Op die vraag heb ik lange tijd ‘Ja, ­uiteraard’ geantwoord. Maar dat is het sociaal wenselijke antwoord. En eerlijk gezegd flauwekul. Ik had dit niet willen missen.’

LEESTIP
‘Odes van David Van Reybroeck. Vlaming, ­wereldberoemd sinds Congo, schreef voor de Correspondent deze korte liefdesverklaringen. Gebundelde odes aan een ex-geliefde, ­Parijs na Bataclan, aan zijn littekens ook. Ik word misselijk van jaloezie: de opgewektheid, de belezen passie voor kunst, en vooral die stijl.’

Journalist Fokke Obbema kreeg op 1 april 2017 een hartstilstand.Ruim een jaar later gaat hij in een reeks ­interviews op zoek naar de zin van ons leven. Voor alle andere verhalen:

volkskrant.nl/zinvanhetleven