Tien columns per week schreef Martin Bril

16 november 2019 Geen categorie 0

Tien columns per week schreef Martin Bril, waarvan zes voor Het Parool. In die stadskroniek bezag hij Amsterdam. Bob van Het Balkje, de moordenaar van Eddy Wind…. Een interview dat ruim twintig jaar geleden verscheen in de Volkskrant.

‘Zes in Het Parool, één in Carp, één in Vrij Nederland over popmuziek. En op zaterdag in De Morgen. Dat is tien. Negen? Dan missen we er één. Hoe kom ik nou op tien? Zat gisteren nog te denken, dat ik er tien per week schrijf. Raar. Misschien dacht ik, dat ‘r nog wel eentje bij kon.

Jan Mulder schrijft even veel als ik. Camu. Sport. Elsevier. Hem gaat het nog makkelijker af. Omdat ie zo whhoemm schrijft. Hij knalt er in. Heeft een hele wilde verbeelding. Je kan goed zien, dat ie die bevrijd heeft. Je speelt jezelf vrij en dan kan je doen wat je wil. En Freek (de Jonge) natuurlijk. Ook zes keer per week. Zijn columns zijn een stuk korter. Daar staat tegenover, dat hij nooit op vakantie gaat. Nooit ziek ook. Ik wel. Op vakantie dan. Hij heeft minder pretenties. Schiet in het wilde weg. Die van mij gaan in eerste instantie over schrijven, het plaatje, het beeld, dat ik oproep.

De voorpagina van de Volkskrant nadat Martin Bril was overleden.

Mijn week begint op zondag. Plaatjes draaien. Dan schrijf ik mijn rubriek voor VN. De columns voor Het Parool doe ik meestal ’s avonds thuis, tussen half acht en half negen. Kan ik ondertussen naar het Journaal kijken. Soms gebeurt het, dat ik er ’s ochtends eentje maak. Breng ik mijn dochter naar school en schrijf ik over de reiger in het Vondelpark. Vijfhonderd tot zeshonderdvijftig woorden. Een enkele keer ben ik er ook drie uur aan bezig. Als ik geen onderwerp heb ben ik afhankelijk van mijn techniek. Urenlang werken aan een koolmeesje in de tuin. Dat zijn de moeilijkste, terwijl ze er gek genoeg het makkelijkste uitzien.

Op maandagochtend komen bij mij op kantoor de agenda’s binnen. Van het ANP, van kranten, de rechtbank rollen. Daar bouw ik mijn week omheen. Op stap, naar de rechtbank, een eerste paal, een staatsbezoek, commissievergaderingen over geluidshinder. Een overval of een schietpartij… die pik ik ’s avonds op van de scanner. Als je je in de gebeurtenissen begeeft, komt het vanzelf aanwaaien.Ik mag graag naar de rechtbank gaan. Daarin wordt alles samengebald, hoe een stad in elkaar zit, wat leeft. En ik ben tuk op de verdachte. Hoe die er uit ziet. In welke mate hij zich bewust is van wat ie heeft aangericht. Veel verdachten weten dat niet. Dat fascineert me mateloos. De moordenaar van Eddy Wind… een flapdrol, die een cola-tic te veel had gedronken. Kon niet over zijn eigen gedrag nadenken. En hoe dat dan wordt recht geluld door hulpverleners en psychiaters. Meneer was gekrenkt. Dat hoor je steeds vaker, dat daders zich gekrenkt voelen.

Ik heb een warme band met de rechtbank. Wilde al jaren een dagelijks column schrijven voor een dagblad, en dan met name Het Parool, omdat ik zo in de voetsporen kon treden van Carmiggelt en Ischa Meijer, de enige twee literaire columnisten van Nederland. Ik wilde met literaire middelen de werkelijkheid verslaan. Op een dag kom ik op de krant, hoor dat het Hakkelaar proces begint, en zeg: dat ga ik doen, zes weken lang iedere dag voor jullie naar dat proces. En als het goed is, gaan we er mee door.

Zo maar rondlopen door de stad was nooit het idee. Het ging om nieuws, om gebeurtenissen. De manier, waarop Jimmy Breslin in de jaren zestig voor de Herald Tribune over een gangster op de rechtbank schrijft. Hij beschrijft alleen Tony Provenzano’s pinky ring, met een diamant, die schittert in het licht, dat naar binnen valt. Het zijn maar drie alinea’s in de anthologie, die Tom Wolfe maakte over het New Journalism. Maar dát stond me voor ogen. Dát wilde ik doen.

Die Hakkelaar kwam goed uit. Alles klikte. Ik was vers. Gestopt met drinken. In dat momentum zit ik nog steeds. Nooit in paniek. Vroeger wel. Een ontzettende paniekzaaier. Deadlines, telefoon eruit, me verstoppen, smoezen, floppies vergeten, computer kapot. Dat heb ik al drie of vier jaar niet meer. Altijd op tijd. Dat is geen discipline, je leven staat er naar. Het is net als je elke dag scheren.

Ischa zei altijd: ‘Je hebt auteurs en schrijvers.’ Ik ben schrijver. Ik draag geen wereldbeeld uit. Ik heb wel ideeën, maar die zijn technisch, hebben te maken met mijn werk, en daar valt weinig aan uit te venten. Ideeën over het leven heb ik ook wel, maar die zijn niet opzienbarend genoeg om in het zonnetje te zetten, zeg maar. Ik wil schrijvend mijn geld verdienen. En het eerste, waar je dan in terecht komt, is de journalistiek.

Jaren lang heb ik er met mijn pet naar gegooid. Ik ben een laatbloeier, word veertig. Jaren verknald met freelancen, voor HP, Esquire, Nieuwe Revu en allemaal glossies. Husselen, je winkel draaiende houden, in de telefoon klimmen en proberen verhalen te verkopen, en altijd méér verkopen dan je kan maken. Junkie gedrag. Ik heb jaren in de zenuwen gezeten. Die column nu… het is een vaste betrekking. Het maakt je vrij. Ik was helemaal uit gehusseld.

Wat me gered heeft, is dat ik altijd ’s ochtends aan het werk ging. Op kantoor, niet thuis. Half negen beginnen, twaalf uur klaar. Doe ik nog. Dan ga ik op pad. Rondjes. Even aan bij Bob van Het Balkje, een broodjeszaak. Bob houdt van honkbal, dat bindt ons. En bij Luxembourg met die meiden praten, roddel en achterklap. Uitspanningen, winkels, even aanleggen om te kletsen. Zwervers, treurige buurvrouwen, mensen, die in Jezus zijn, bromsnorren. En dat schrijf ik op.

Hoe meer fictie er in zit, hoe harder ik moet werken. Als het naturel komt, is de kans het grootst, dat ’t het beste is. Ik beschouw het niet als journalistiek, maar als literatuur. Tegelijk zou ik niet willen, dat het werd gelezen, alsof ik het allemaal verzon. Een kroniek moet het zijn. Zoals Louis Paul Boon in dagblad De Vooruit. Zo’n column roept een wereld op, die bevolkt wordt door mensen, die we allemaal kennen. Maar in een bepaald licht. Mijn licht. Jaren lang ben ik bezig geweest met een non fictie roman over Rob Scholte. Vanaf het moment van die aanslag tot een jaar of drie geleden heb ik daar ongelofelijk veel werk in gestoken. Is me niet in de koude kleren gaan zitten. Die aanslag was iets wat er inhakte, vanwege de heftigheid en de gewelddadigheid. Dramatisch een goudmijn natuurlijk. En ik dacht, dat ik een extra edge had omdat we bevriend waren. Drie dagen na de aanslag was ik er al. Toen hij lag te creperen in het ziekenhuis heb ik wel eens Chinees eten voor hem gehaald. Mijn gebrek aan afstand heeft me uiteindelijk de das om gedaan, en een gebrek aan ervaring, aan helderheid. Ik ben nu veel helderder. En het laat me ook niet los. Dat wil zeggen: het verhaal wil mij niet los laten. Ik word nog steeds gebeld door allerlei gekken en dwazen, die iets weten of denken te weten over die aanslag.

Het gaat niet om het verhaal… het gaat om schrijven. Ik las een berichtje over een baby, die was geboren op een toilet van een bioscoop in Den Bosch. Het bloed nog aan de muren. Die vrouw was daar bevallen en had haar baby achtergelaten. Dat kan minstens zo aangrijpend zijn als de aanslag op Scholte. Het is maar net, wie je het laat doen, wie het schrijft.

Het New Journalism in Amerika werd aangestuurd door schrijvers. Mailer en Capote waren geen journalist. Hunter Thompson ook niet. Dat was een loose canon, een talentvolle hosselaar. Tom Wolfe was journalist, maar wilde romans schrijven. Het is altijd een gelukkige combinatie geweest van talent, geld en redactionele aansturing. Die aansturing is er in Nederland niet. Een goed verhaal kost geld. Joost Zwagerman opbellen, en zeggen: hier heb je tienduizend gulden, schrijf maar een verhaal over… nou ja, het kan niet meer, maar zo’n Johannes van Damme, die ter dood veroordeelde in Singapore, dat is toch een fantastisch verhaal om een schrijver op te zetten. Geen redactie wil dat doen. En ik zie het de magazines van de dagbladen straks ook niet doen.

Labbekakkerigheid. Onze generatie hoeft niet meer te knokken voor journalistieke devianten, iedereen weet, waar je het over hebt. Scènes, dialogen, perspectief, oog voor details. We kennen de principes, weten hoe het moet, maar we gebruiken het niet, waar het voor bedoeld is. Wat Geert Mak heeft gedaan is het enige voorbeeld van nieuwe journalistiek in Nederland, en dat gaat dan over Jorwerd godverdomme… nou ja… is een geweldig onderwerp, maar het kan ook over de Botlek gaan, of over Srebrenica.

Ik denk, dat ik behoor tot de laatste generatie die met schrijvende ambities in de journalistiek is begonnen. Opgegroeid in de hoogtijdagen van de Nederlandse weekblad journalistiek. VN, de Haagse Post, wat Eelke de Jong deed, of Bibeb, of Martin Schouten… als je daar in je initiërende jaren mee wordt geconfronteerd, is dat heel andere koek. De meeste ambities zijn nu op televisie gericht. Met hun kop op tv willen ze, of een bureaubaan, of in het Style supplement. Maar het gewone handwerk..

De Volkskrant, 20 maart 1999, 00:00