Connie Palmen: Een goed gesprek met God en de koelkast

Soms klinkt ze koel en op haar hoede, haar stem een octaaf lager, een vrouw die schrijver is. Soms ook verandert ze ineens in een meisje dat schaterend lacht als ze een al te boude uitspraak even pontificaal onderuit haalt. Dan trekt ze haar schouders op, wendt haar gezicht giechelend af. Vlak daarop reageert ze grimmig, haar gelaat vlak, haar stem toonloos. En weer een oogwenk later palmt ze je in, legt een hand op je arm, kijkt je iets te lang aan, stelt dan zelf de vragen.

Connie Palmen heeft De wetten geschreven, een roman over een vrouw en zeven mannen. De vrouw heet Marie Deniet, maar de mannen geven haar andere namen. Dan heet ze Carmen, de fatale, of Theresa, de heilige, of Emmeke, of Lune. De zeven mannen beschrijven haar, lezen haar, zeggen haar zeven maal wie ze is. Waarna ze ten slotte slechts weet wie ze niet is, dat er alleen tegenstrijdige wetten zijn, en dat ze schrijver moet worden.

Het veelkantige karakter van Marie Deniet, de ‘filosofische hoerenengel’ die haar ziel verkoopt voor een klein beetje kennis, moet ergens verband houden met de vele, plotseling wisselende stemmingen van Connie Palmen. Voor zo lang als het duurt. Die schijn van autobiografie, zegt ze, is pure retorica, een literaire truc. ‘Ik heb me laten leiden door de wetten van de roman. Het is geen autobiografie van het schrijven, mijn autobiografie zal nooit worden geschreven. De enige manier om zelf een karakter te hebben, is in zo’n boek. In de werkelijkheid is het een en al verbrokkeling. Als ik in het boek karakter heb, is het als degene die op de kaft staat. Connie Palmen.

‘Marie Deniet is een personage. Een verzamelnaam voor zoveel andere vrouwen. Ik kan wel meer zielen in mijn borst voelen kroelen, maar het zijn er me net wat te veel. Het is alsof ik bijna geen affiniteit met haar heb. Al komt die ik-figuur niet uit het niets. Er zijn zat overeenkomsten, je kunt het allemaal natrekken, het klopt als een bus. En sommigen zullen zich wel hier en daar herkennen.’

Hoeveel mannen heb je niet nodig om een boek te schrijven over zeven mannen

En op mijn vraag, lichtjes geërgerd: ‘Nee, niet de mannen. Zo gaat het niet. Er bestaat geen één-van-de-zeven, het zijn er geen zeven. Ik bedoel: hoeveel mannen heb je niet nodig om een boek te schrijven over zeven mannen.’

Connie Palmen en de roem.

De eerste druk van De wetten in drie weken uitverkocht. Vierde druk in de maak. Hartstochtelijk lovende kritieken in kranten, interviews in opiniebladen, op radio en televisie. Ingelijfd bij de kring van jonge dichters en denkers. Talk of the town.

En in St. Odiliënberg, kloosterdorp rond een heuvel bij Roermond, rijdt in de carnavalsoptocht een praalwagen mee met op de troon een jonge vrouw. Zeven mannen eromheen, een priester in een jurk, een fysicus in een witte overall, een astroloog met een maan.

Ze was er niet bij. Hoorde ervan in Amsterdam, waar ze woont sinds ze er begon te studeren. Zegt: ‘Ik heb altijd al de nar willen zijn van het dorp. Maar op deze manier — Ik had de optocht wel willen zien, maar vanachter de gordijnen.’

Als ik voorstel iets te eten, valt ze voor het geconfijte duinkonijn, omdat het zo mooi klinkt, en om de vertaling op het menu, tender filet, teder duinkonijn, terwijl dat geconfijte volgens haar juist iets wreeds heeft.

Ze vertelt de geschiedenis van haar roman.

‘Je eerste boek heeft de langste geschiedenis. Het is niet meer te overzien wanneer het begonnen is. En tegelijkertijd ook wel: op een dag in februari 1989 toen ik de eerste zin opschreef, die onveranderd de eerste zin van het boek is gebleven. Ik ben begonnen, dacht ik toen. Na een dag was er een bladzijde, en wist ik wat me de volgende dag te doen stond.

‘Sommige ideeën waren er al. Ik heb aantekeningen gevonden van tien jaar geleden. Ik heb altijd geschreven, boeken vol, als een fysieke behoefte. Moet elke dag iets schrijven. Een soort paniek overvalt me als ik dat niet doe. Ik ben al blij met één heldere gedachte per dag. Ik doe een moord voor een gedachte, voor iets meer inzicht.

‘Die eerste zin maakte alles open. Ik dacht: je begint klassiek, met ruimte, tijd en plaats. Het klopte. En het was heerlijk om daarna iemand gêneloos over straat te laten lopen, dat te mogen doen, geweldig vond ik dat.’

Waarom heeft het zo lang geduurd bij iemand die vanaf het moment dat ze kon lezen ervan droomde schrijver te worden.

‘Je kunt last hebben van het gewicht van je idealen. Ik hoopte half en half dat die droom lichter werd, dat het nog ’s over zou gaan. Alsof het een ziekte is: misschien gaat het voorbij, word je toch nog gelukkig. Maar ik werd niet gelukkig en dat ideaal bleef maar even zwaar wegen, en op een gegeven moment moest het.

‘Ik heb alles gedaan om die droom te ontluisteren. Ik kan me ook wel een ander leven voorstellen. Maar het is het een of het ander. Iets heel rabiaats. Ik heb grote moeite meerdere dingen tegelijk hoog te achten. Het streven van: was het maar één ding, was het maar simpel.’

Ze was uit St. Odiliënberg naar Amsterdam gekomen om te studeren. Het werd Nederlands, en filosofie als tweede hoofdvak. In 1988 studeerde ze voor de tweede maal af.

‘Toen was het tijd. Ik heb de neiging ergens in te gaan hangen, de eeuwige student te worden, nooit weg te komen. Het was erop of eronder. Ik was nog steeds niet dood en moest nog voort. Er gebeurde ook van alles. Als je het nu niet doet, dacht ik, gaat het mis. Ik was al zo lang op de loop geweest.

‘Het ideaal was niet lichter geworden. Het was onaantastbaar. Ik had geen alternatieven meer. Geen één. Ik kon niets meer bedenken.’

Voordat het allemaal moest, voordat ze een roman ging schrijven, schreef Connie Palmen drie steeds kortere verhalen. Na het eerste, Afspraak, was ze gelukkig omdat ze iets voltooid had, omdat het niet mislukt was. ‘Ik vond het een heel goed verhaal. Er zaten mooie ellipsen in, ik had gedaan wat ik kon, en het ging weer eens over van alles.’

Redacteur Joost Nijsen van Optima vroeg of ze het wilde opsturen. Dat kon ze niet. Ze overhandigde het in de kantine van de universiteit, trok zich terug op het toilet terwijl hij begon te lezen. Zei: ‘Je hebt het in vijf minuten gelezen, het is een scheetje.’ Nijsen vond het prachtig. ‘Toen dacht ik: het komt wel, ik weet niet wat ik nog voor rampen zal veroorzaken, maar het komt wel.’

Het volgende verhaal, De weke krijger, was nóg korter. Nijsen vond het niks. Ze kreeg het terug. Retour afzender. ‘Ik had er een veel langere, grappige brief bij gedaan. Joost zei dat hij die brief leuk vond. Ga nou maar ’s zó schrijven, zei hij. Razend was ik, razend. Waar bemoeit-ie zich mee? Was is dat nou, gewóón schrijven? Hij ziet de schoonheid niet van mijn verhaal.

‘De gekwetste ziel van iemand die heel eenvoudig te kwetsen is.’

Ze ziet geen kwaad in de ambitie, in het heilige doel het volmaakte verhaal te schrijven. En ze wordt pissig als ik argeloos zeg dat De wetten me een typisch debuut lijkt, vanwege de queeste, het zoeken naar het schrijverschap.

‘Ik merk dat ik grimmig word van kritiek op het boek,’ zegt ze. ‘En dat is nogal onnozel. Ik word ook grimmig van de mythe van het tweede boek, alsof de waarde van het tweede boek de waarde van het eerste moet gaan bepalen. Zeker in deze tijden ben ik doodsbang om dood te gaan. Als ik nu dood ga, zou dat anderen dan het recht geven om dat eerste boek over te slaan?

„Ik schrijf alsof het de laatste dag is die ik te leven heb, en volgens mij leef ik ook zo. Nu ik voort moet met leven, moet dat tweede boek toch weer beter worden. Het is helaas niet anders. Dat is ook de morele zweem die over het boek hangt. Ik neem wat dat betreft geen blad voor de mond. Het komt er nogal boud uit, maar dat is mij niet vreemd. Zo hoog wordt het spel gespeeld.

‘Ik ben bereid om in het stof te bijten, zand schuurt de maag, maar dat verhindert niet dat ik naar het hoogste streef. Ik wil best terecht worden gewezen. Dat iemand me tempert. Doe ’s normaal Palmen, het is wel aardig. Ik zou teleurgesteld zijn, maar op dat moment is het het beste wat ik kan maken. Als het minder is, gaat het de deur niet uit, ik zou me doodschamen. God weet welke karaktertrek dat is.

‘Een neiging tot absolutisme, ja. Ik ben een gevaarlijk iemand, vooral voor mezelf.’

Ik ben een gevaarlijk iemand, vooral voor mezelf.

En plotseling heel vrolijk: ‘Ik kan daar zelf erg om lachen. Je kunt van mij heel makkelijk een karikatuur maken. De karikatuur van de hysterica, Hadewijch, Teresia van Avila, Simone Weil. Het is allemaal zo hoog van de toren geblazen. Die rare bezetenheid, dat hoogste, het zich volkomen vereenzelvigen met de goddelijke dingen der wereld; het is om schuddebuikend bij te lachen.’

Ze snijdt de eendenborst aan waarom ze gevraagd heeft nadat ze zich realiseerde wat er precies met het duinkonijn gebeurde toen het geconfijt werd. Zegt dan, relativerend: ‘Nijsen had ongelijk dat hij het verhaal niet goed vond. Maar ik was me wel aan het verdichten tot één regel, het werd een oneindige reductie. Ik denk dat hij dat heeft gezien, in die zin had hij geen ongelijk. Die eer wil ik hem best geven.’

Het verhaal verscheen in De Held. Daar viel het Mai Spijkers van Prometheus op. Ze las hem hardop één van de drie hoofdstukken voor van de roman die ze aan het schrijven was. Hij wilde het uitgeven.

In De wetten laat Connie Palmen haar ik-figuur aan het eind van de studie filosofie een doctoraalscriptie schrijven met als titel: Dit is literatuur. Zelf schreef ze iets dergelijks in de scriptie over de roman In Nederland van Cees Nooteboom. Dat literatuur de eigen wetten moet schenden om literatuur te zijn. Daar ging het over.

‘Cum laude, zeiden ze toen. Wilt u niet bij ons blijven werken? We kunnen u toch niet laten gaan.’

En serieus: ‘Stel je eens een literatuur voor die almaar hetzelfde is. Honderd keer Don Quijote, honderd keer een meesterwerk. Dat is onmogelijk. En toch zetten al die meesterwerken elke keer de toon voor wat literatuur is. ledere goeie schrijver zal die wet van het goeie boek moeten schenden en tóch een goed boek moeten schrijven. Je moet ze durven schenden, het moet het vuiltje in het oog van de literatuur zijn.

‘Nee, er waren niet zo veel schrijvers die ik van me af heb moeten schudden. Wat ik heb moeten bevechten is niet zozeer de stem en de adem van een andere schrijver, maar meer de neiging die ik heb tot opgeblazenheid, tot sentimentaliteit, tot romantisch geleuter, onechtheid. Tot filosofenstijl ook. Je moet zo veel doodmaken voordat je gaat schrijven. Ik weet niet eens wat ik allemaal heb achtergelaten.’

De stijl waarin ze schrijft, is niet de poëtische van Nooteboom, zeg ik. De wetten is een bijna metafoorloos boek, een boek zonder spectaculaire adjectieven.

‘Er komen hele grote metaforen in voor, maar niet in de vergelijkingen, niet op dat niveau. Ik hoef niet het water met twinkelend, rinkelend, voortkabbelend zilver te vergelijken, want ik vind water op zich al prachtig zat, en zilver ook. Als je dat heel droog kunt zeggen heb ik daar meer bewondering voor.

‘Het past ook niet bij mij, ik houd van de reductie; desnoods met minder als het maar beter is. Dat geldt ook voor het taalgebruik, soberder worden, doorleren om dommer te worden. Natuurkundigen zijn ook met dat verlangen behept, dat hele grote streven: dat je uiteindelijk uitkomt bij een hele simpele formule over hoe de wereld in elkaar zit. Dat is ook een religieus verlangen, dat het in Gods naam eenvoudig is.’

‘Ik vind het aangenaam verwarrend om iets anders te denken dan ik altijd gedacht heb. Als het maar met een schok gepaard gaat. Ik hou ervan als mijn hersens op stelten worden gezet. Dan moet ik opnieuw orde scheppen. Ik kan al dat oude niet verwerpen. Dat moet ik er dus bijtrekken. Hoe groter de puinhoop, hoe meer je gedwongen wordt zelf iets te bedenken. Daar was bij mij een tamelijk grote mesthoop van filosofenlijken voor nodig.’

Ooit dweepte ze met Sartre, nadat ze een Witte Beertjes-pocket over het existentialisme las. Kreeg in de banken van de universiteit een huilbui toen de professor Marx uiteenzette, hoe de onderdrukte meewerkt aan zijn eigen onderdrukking. En werd verliefd op Foucault.

‘Misschien dweepte ik ook nog met hem. Maar dat was iets anders. Op Sartre was ik niet verliefd. Het mannetje kon me niet schelen. Ik hing aan die filosofie. Bij Foucault verslingerde ik me ook aan de man. Er gebeurde iets opwindends, iets sensueels. ‘Denken is erotiek. Nogal onanerend, ja. Het genot van een gedachte krijgen. Ik denk een beetje beestachtig en nogal schuimbekkend. Het is een eenzaam genot. Het kan voor anderen vervelend zijn, want je zit van je zelf te genieten, van wat er door je kop speelt, van een soort seks in je hoofd. Het is zo heerlijk omdat er zo weinig voor nodig is, uiteindelijk.’

Schrijven, zeg ik, behoort voor haar tot het domein van de mannen.

Daar heeft ze iets mee, met mannen.

‘Dat kan ik niet ontkennen,’ zegt ze.

En: ‘Niet dat ik erbij wil horen. Ik heb nooit dat onderscheid willen maken tussen vrouwelijke en mannelijke schrijvers. Onzin. Ik heb het boek ook niet geschreven als vrouw, ik heb het niet met mijn geslacht geschreven, maar gewoon met de pen. Maar in mijn kop is het schrijven wel een handeling die aan de mannenkant hoort. Het is een vorm van begeerte, het mooier vinden dan wat dan ook.

‘Het is de neiging hetzelfde te worden als wat je bewondert. Ik hoef geen man te zijn, maar er is veel meer aan het mannelijke dat ik begeer, dat ik schoonheid vind hebben, dan aan het vrouwelijke. Het is een beetje door elkaar gaan lopen, ergens in de war geraakt. Het is een erotisch verlangen het te willen begrijpen, mannen, vrouwen, al dat spannende gedoe; maar ik weet het niet, echt niet.

‘Op het moment dat ik het weet, zal ik het van de daken schreeuwen. Het is misschien niet mijn belangrijkste motor, maar wel de meest erotische, het voelt ook als een prikkeling. Het religieuze is een andere drijfveer. God, ook zo iets, de grote Praatjesmaker. Ook een motor. Maar nog beladener, nog moeilijker om over te praten.’

Vertel ’s over God.

‘Ik mag nog graag ’s naar de kerk gaan. Ben katholiek opgevoed, zonder dwang, zoals alles bij ons. We dopen haar Aldegonda, maar in de wereld heet ze Connie. Het hangt om je heen. Ik praat met God zoals ik met de koelkast praat. Heb je het nog lekker koud, schat? Moet ik nog iets in je doen? Moet ik je wat hoger zetten, of wat lager? Zo doe ik dat.

‘God is een animistisch geworden idee. D’r moet maar iemand voor staan, anders kan ik het ook allemaal niet meer aan. Met God heb ik leuke dialogen, waar ik erg om kan lachen. Doe nou ’s een beetje rustig, laat me nou even met rust, ik doe mijn best ja. In het wilde weg praten tegen iets waarvan je wilt dat het leeft, terwijl je, als je een beetje bij je verstand bent, weet dat het niet levend is.

‘Het is onnozelheid die voortkomt uit kennis. De kennis faalt ook. Alles waar je op doorgeleerd hebt, mislukt. En dan blijven de meest naïeve, onnozele, banale verhalen over. Ik vind te veel zaken onopgehelderd om niet een gelovig iemand te zijn. Totdat het opgehelderd is waarom ik hier rondloop, krijgt God van mij even veel kansen als de natuurkunde.

‘God als een koekje: het hoort erbij. En hij bestaat voort zolang er behoefte is aan hem. Hem, ja, want het zal toch wel weer een jongen wezen. Ik vind niks zo erg als God voorstellen als een vrouw. Dan maar liever een grijsaard, want anders gaat het mijn oude beeld toch te veel verstoren, dat kan ik absoluut niet hebben. Een inktvlek op een oude foto.’

Schaterend: ‘Ja, mooi hè.

‘Ik ben nooit alleen. D’r zit altijd wel iemand op mijn schouder. Een eeuwige criticaster die je bij alles begeleidt, alles een beetje door de drek trekt op het moment dat jij de dingen zo graag zuiver wilt hebben en ze mooier maakt, ook als je verrot goed weet dat het zo mooi niet is.

‘Soms denk ik, donder eens op, ik ga van je af. Maar nee, hoor.’

We hadden het over God.

Tegen het plafond: ‘Kom je d’r even bij zitten, lieverd, help je me even een handje?’

En tegen mij: ‘Zo gaat dat met mij en God. Een heel hecht huwelijk, maar voortdurend in de clinch. Als iemand zei dat hij niet bestond, dacht ik, gelijk heb je, maar ik maak het toch niet uit.

Je wilde als kind in het klooster.

‘Vanwege dat absolute. En om het afschrikwekkende van wat alle andere meisjes deden, die een vrijer kregen en gingen trouwen, en kinderen baarden. Ik vond het normale angstaanjagender dan het abnormale. Een non, die toewijding, een mysterieuze relatie met iets wat je niet ziet, iets wat er misschien niet eens is, in zon hokje, ommuurd, omsloten. Dat schrok me af maar heeft me ook erg aangetrokken.

‘Nu denk ik er platter over. Toen geloofde ik ook wel in zo’n relatie, in dat heilige. Ook omdat het bij het beeld van het dorp hoorde. Het waren andere vrouwen. Nonnetjes die als een prevelend stoetje pinguïns in de basiliek uit een geheim deurtje kwamen, dat krakend en piepend open ging. En dat schoof dan achter het altaar. En zong met zulke hoge stemmetjes. De geur als dat langs kwam. Een mengeling van zuurkool en wierook, het platte en het heilige. Heel wonderlijk. Dat werd maar niet ouder, had gezichtjes als engelen. Dat bad en dat bad. En dan was de dienst afgelopen, en dan dacht je, waar komt dat vandaan, waar gaat dat naartoe. Je wist het niet, je wist het niet. Je zag wat. En waarom je dat dan zelf ook wilt? Daarom, om dat alles. Denk ik.’

Naar het hoge plafond: ‘Weet jij het, Grote Bemoeial?’

In De wetten is de laatste van zeven mannen een psychiater, aan wie Marie Deniet het verhaal vertelt over een processie in St. Odiliënberg, over haar verlangen te vallen, op te houden met leren. Vallen ook als metafoor voor schrijven. Zoals ze een andere man, de epilepticus, laat zeggen: ‘De vallende ziekte geeft je diepste wezen, ondanks jezelf, schaamteloos bloot aan het oog van de buitenwereld. Er valt niets te verhullen.’

Ben je ooit zelf bij een psychiater langs geweest. Vroeg hij, beschaamd.

‘Heel, heel, heel eventjes. Laten we zeggen: zeven malen.

‘Ik geloof dat ze dacht dat ze God zelf was, en dat ze het verschil tussen echt en onecht niet meer zag, de vrouw die destijds bij de psychiater zat.

‘Och, wat zullen we het over mijn ziel hebben. Ik moet een beetje spaarzaam zijn met mijn geheimen.’